Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: herinnering (pagina 1 van 14)

de zeurende dreiging

Het was deze man die ik vaak citeerde: groter dan groot en
licht naar me voorover buigend of precies in

die straal zon die door het gekleurd raam naar binnen viel.
Het was daar dat ik opnieuw thuiskwam, nu

door de voordeur, en men mij omsloot. Een driftige voorganger
hief zijn handen op, ik lag bijna op mijn

knieën maar toen ik mijn ogen dichtdeed, voorbereid op zijn
zegen of de klap waarmee, hoorde ik muziek,

zoet, kalm en later met dezelfde verwarrende wervelende toon
die in mij zat. Later zette hij zijn signatuur

op de voorste bladzijde, serieus en onder mijn kinderlijke naam
en bleef mij even aankijken. Ik was daar ook,

zou hij zeggen, en ik zag hoe je bewoog in de tijd en met je
mond open probeerde wijs te houden.

 

altijd links van me

Voor het ‘verloren lopen’ of ‘uit de tijd vallen’ zoals de auteur
dat noemt voor verdwalen of

sterven, moeten we toch met dezelfde eenvoud en helderheid
ons leven hebben kunnen beschrijven, de

opdracht wordt steeds duidelijker zoals de noodzaak zich steeds
vaker aandient maar ook het uitstel, het

schuifelen over het ingezaaide grasland, het volgen van de vogels
die laag over scheren en vanuit de geulen het

zaad oppikken, het turen in de verte waar de katten roven en met
de buit thuis zullen komen, nog even de

damp boven het land die de dorpen van elkaar scheidt, de torens
van de kerken eenzaam, scheephoorns tegen

de haven. Er moet altijd een oever zijn, schrijft hij, altijd een
overkant zichtbaar, anders blijf ik nergens.

(naar aanleiding van het werk van Rinus Spruit)

men heeft mij opengedaan

In een droom laat ik mijn kinderen naar het midden van
de aarde lopen, we staan op de hoek van

het oude schoolplein in onze straat en ik draag een soort
lantaarn waarin een klein lichtje schijnt bovenop

de landen en een dun boompje precies op dezelfde plek
wiebelt als waarop wij staan en waaruit,

zodra wij kijken, een mager liedje begint alsof het een
kinderkoor betreft dat in het witte kerkje

aarzelend en niet zuiver de roos in koude grond bejubelt
om daarna met slechts een sinaasappel en

een plat, zaligmakend boekje beloond te worden, de fluwelen
randjes om jurkjes hard van snot en lang wachten.

We staan stil, we luisteren. Omstanders willen ook, sluiten
ons in, het lichtje wordt sterker, de roos groeit.

tegen niemand in het bijzonder

Alles gaat moeiteloos in elkaar over: het zand in de zee, de
lucht in het land, het water in de voeten, de

regen in de soep, de handen in elkaar. De dijen blauw van
spijkerstof en kou. Het is een natuurlijk

verloop van tijd en volgorde, het dode dier spoelt terug, het
vogeltje wipt omhoog, de hond springt over

alles heen, een bal rolt tot ongrijpbaar, een man joelt, zelfs
zonder te kijken weet je waarheen je loopt, je

gaat daarheen waar het haar reeds wappert, er zijn nog twee
vlaggen over, de vuurtoren brandt, het schip

strandt. Alles ook is een beeld van toen: hoe je klein daar
stond en met je handen voor ogen de

schipper zag en de drenkeling en de zware netten met vis en
hoe een man dat uitdeelde alvorens hij verder liep.

tijdstippen die nergens aangegeven stonden

Ik wil de waarheid, zegt mevrouw V. tegen de man
naast haar en simpel stelt hij dat die er

niet is. Het gaat over de aanwezigheid van X. aan
haar tafel zoals het ging om Y. in

haar leven, P. in haar bed, C. in haar mantel en T.
in het kleine Japanse wagentje dat ze

tot voor kort nog reed. We lezen over veranderingen
in het stadsleven en ruiken de inhoud van

de houten tonnetjes waarop zij ooit zaten maar dit
ongemak is groter. Ze kijkt me aan en

zomaar ken ik het hele alfabet en alle plaatsen en alle
tijden waarop. Het is subjectief, zeg ik

tegen niemand in het bijzonder en misschien moet je
echt genoegen nemen met wat je hebt.

nog lang en gelukkig

Soms is het alleen zijn niet voldoende. De geluiden in het
hoofd gonzen als het verkeer beneden, stemmen

in het trappenhuis, vliegtuigen in de lucht, vogels die krassend
van de dakgoot rollen, piepjes die het schermpje

rechts naast me doen oplichten, een deurbel die een nieuwe
toon produceert en me schrikken laat, in

de verte nog het murmelend kind en zelfs de tikkende poten
van een kat zoals de vragen van een medestander,

de aandacht van een vriend, de nieuwe aflevering van een
serie, de kranten van twee weken terug, het

nooit afgesloten verlies van langer geleden, de ogen van mijn
mamma en het hard dichtklappen van een deur

ergens, toen, opnieuw en zijn warm, los vel dat bruin in het
omwoelde bed lag met daar bovenop zijn handen.

dan zien we elkaar in de lente weer

Het nieuwe jaar begint alleen met mezelf, ik zeg goedemorgen
tegen een lege wereld, ben naakt in haar, sta

verlegen bijna in haar stilte. Jaren hiervoor schreef ik over het
niemandsland, bye bye blackbird en

intermezzo’s, rolden er lijken uit de kast en kinderen uit het
bed, dreven er oliebollen in de pan en boten

zuidwaarts en zwaaiden er witte vlaggen omdat ik vrede wilde,
dit jaar wacht ik. Ik herinner me

poedersuiker rond zijn neus, een volle koelkast, telefoontjes in
de nacht, het beamen van een gelukkig leven. Ik

herinner me onverstaanbare toespelingen op het jaar dat zou
komen, alles zou anders zijn maar

ik wil haar graag hetzelfde, als het kind dat ik hoog til nu en
de maan herkent en het licht achter haar muren.

op mijn schouders hoog

Als liefde alleen nog maar in het hoofd huist en niet langer in
de toppen van de tenen, onder de dansende voeten

en aan de uiteinden van je open handen, als eindelijk je armen
zich gesloten hebben om dat wat alleen en achter-

bleef, je benen afleerden zich automatisch te openen en niemand
meer je rug ziet, en als eindelijk dan, het

hart weer past in de daarvoor bestemde ruimte, alle te vertellen
verhalen teruggekeerd in het boek, de haren

niet meer slepend over de grond, de kleren niet meer gescheurd,
eerst dan is heimwee een toegestane hoeveelheid

klein persoonlijk leed dat volgens berekening en logica twee
nummers lang duurt en past tussen ‘jauchzet,

frohlocket’ en het ‘erbarme mich‘ zoals zij eens paste tussen
zomer en winter en de voorraden in de schuur.

zijn rol in de geschiedenis

Er is een wijziging die ik nog moet doorvoeren, een stapel
prints ligt op een tafel klaar waar de bundel, met ringbandje,
nog van voorzien moet worden en er is

weinig tijd, het publiek zal zich zo verschansen in het pand
waar ik kunst en kinderen combineer aan dezelfde tafel en
enorme voorraden boeken, eten, katten,

speelgoed, tassen, vuilniszakken op de grond rondom; ik
verbeeld me dat de mensen al door de ramen gluren en tegen
het glas leunen en straks gewoon naar

binnen zullen vallen en ik zal nooit op tijd klaar zijn, erger
nog, ik weet niet eens wat er veranderd moest, is het wel
nodig deze ongerustheid te voelen, ben ik niet

altijd foutloos en correct en bovendien, maakt het iets uit?
De kinderen stellen gerust, als altijd, en ik begin het huis
op te ruimen in plaats van de woorden en

voordat ik de deur openzet, zie ik jonge katjes in de hoek
van de kamer en schimmel op de rugzak die ik vroeger op
de schouders hees met het werk van toen.

op gelijke hoogte

In slaap te vallen met hun geluiden die door het tochtig
trapgat naar boven dwarrelen als wensballonnen die

met opgetogen gezichten opgelaten worden boven al die
dagelijkse beslommeringen, stemmen die

fluisteren vanaf het moment dat zijn ademhaling rustig
wordt en hij mijn hand loslaat en ik

de knielende positie verruil voor hoog op de tenen sluipend,
thee in zacht rinkelende kommen op schoot, weet

je nog dat ik alle dingen in mijn kamer met garen aan elkaar
verbond, zegt zij, en ik, weet je nog hoe ik zei dat

je nooit meer alleen zou zijn, en dan, heb ik al die draadjes
doorgeknipt eigenlijk, en te rusten in die

veilige wetenschap voor altijd daar te zijn, vastgeknoopt
met strikjes op de uiteinden van mijn bestaan.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑