Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: herinnering (pagina 1 van 17)

het laatste stukje

Als je elke keer uit hetzelfde raam opschrijft wat je ziet,
vanuit dezelfde positie die je vader, je grootvader,

zij, de wereld zag en daar omheen dan het kader weghaalt,
het venster open, de meeuwen op hun

zilverwitte vleugelslag stil laat staan, de boten in hun
trage glijbaan voor anker, de schilder op het

hoekje met het penseel in de rechterhand bevroren, de
bomen in eeuwige bloesem, kinderen die nooit

van de kade vallen, fietsers die nooit hun doel bereiken,
haar roepend zonder dat ze je ooit nog hoort,

kun je denken dat alleen die wereld vanuit dat vierkant
veranderd is, niet jijzelf, niet zij, niet hen,

en dat als je je omdraait, je vrouw daar nog is, en je vader
aan tafel werkt en je grootvader met koffie wacht.

een ruimte voorbij mij

Voor het eerst heeft een kind meer bezit dan mij, een
grotere woning zoals die past bij een vast

contract, een hechte verbintenis, een hoog aantal jaren
in het vooruitzicht hopelijk. Het uitzicht

is op witte bloesem en schommelende kinderen, gelach
komt van buren die hoog op hun balkons zich

afschermen en het ruikt voorlopig naar een soppende
moeder die alle hoeken en gaten op haar

knieën en hoog reikend van voorjaar voorzag. In haar
lunchpauze strekt zij zich uit over de kale

vloer, duiven koeren op de vensterrand, de zomer is
in aantocht. Hij is nog steeds het kind dat

behoedzaam alle mogelijkheden bijeenbrengt, alleen
twijfelt nu aan de kleur van de muur.

onze kleine stappen

Het raam wordt steeds voller, de lucht raakt versnipperd
daarachter, kleine scherven van licht die

figuren maken uit mijn jeugd, beelden die ik elke keer
opnieuw kon tellen zodat ik rustig werd en niet

de houten bank voelde of de barse stem vanaf de kansel
maar de vrijheid van daarbuiten. Hier een

tuimelende vogel die bij me intrekt, een huilend kindje
dat mee wilt, een chauffeur die met

draaiende motor op me wacht, misschien toetert hij straks,
een bloemenjurkje over een deurknop, een

hartje in de koffie, een dier op aaihoogte, iets zeker weten;
daar de namen in goud, het raden van woorden,

pinksterbloemen in het weiland, dezelfde kleuren echter
en misschien ook wel hetzelfde geloof.

de ergste voorjaarstorm

Ze knikken. Ach jawel, ze zien iets aan zijn ogen, bruin,
stelt mevrouw V en meteen situeert ze hem in

warme berglanden en een strooien hoed op, werkend op
de akker, nee, donker, zegt de heer Z. hoewel

ook hij doorgaat met temperaturen boven normaal en het
zware leven van een landbouwer, alleen

mevrouw T., broos en zwijgend vaak tegenover me, werpt
een glanzende blik, legt haar handen voor zich

op tafel en strijkt over boek en ogen en en passant het crème
overhemd en de korte broek eronder, en zegt

‘zo was het dus’ en dat we dat allemaal wel eens hebben,
dat gevoel dat niets ertoe doet en alles verkeerd,

dat wij dat slechts niet opgeschreven hadden en zo prettig
hadden voorgedragen zoals ik nu, toch?

de activiteiten van

De kunsten zijn gered. Wijzelf misschien ook. Je kunt
leven op een punt taart, roze weliswaar, en je langs

keurig opgestelde politieauto’s wurmen met het geschreeuw
van hooligans rondom je en dwars door

massa’s toeristen en een trage trein toch in die donkere en
andere wereld thuiskomen met aan je handen

de buit van de dag. We hebben de foto’s, we hebben de
woorden, we hebben prei en wortel, aardappels

die zo groot hier niet groeien, de boterhammen gespaard,
ons truitje verkeerd om aan, hem in ons lijf.

Je kunt met zoveel minder toe en toch merk je daar pas,
zachte regen onderweg, hoe groot

de honger is en hoe lang je teerde op voorraden die lang
en onbederfelijk in je kasten scholen.

 

honderd keer

Aan het eind van het verhaal vertel ik wat er echt
gebeurde en ik houd de omslag waarop

zijn foto omhoog en langzaam langs hun gezichten.
Het jongetje dat donker en serieus

en met zijn handen voor zich op het schooltafeltje
naar de fotograaf kijkt en daarstraks nog

in een driedelig pak, grijs met smal wit streepje en
voor een rijksdaalder bij de kringloop gekocht,

onherkenbaar voor zijn ouders was, langs ons liep,
trots op de vondst waarmee hij een dag langer,

een dag uitstel verkreeg, daarna zijn hemdsmouwen
opstroopte, nog even keek naar het haar

dat eindelijk groeide, zwart, zoals hij, als kind had
gewenst, en toen de lus aanhaalde, strak

van de bijgeleverde stropdas, oranje gestreept, die
gratis uit de linker jaszak bungelde.

 

(in de voorleesgroep huilt mevrouw B. sowieso elke keer waarna zij mij
bedankt, met twee handen, en zegt zo genoten te hebben)

een omcirkelde A

Terwijl we stoeien met het dak van een Mini en botsen met
de camper achter het autootje van een beer die

we tot gisteren niet kenden terwijl we liften aan de kant van
de weg, parasol boven ons hoofd en ballonnen

die de route alvast zwevend nemen, hopen op een joviale
chauffeur maar vooral proviand onderweg, blijft

een zacht gekrijs in de oren klinken, een verontwaardigd en
bitter huilen dat, als we niet opstaan, een

stampvoetende cadans zal worden. Er zijn twee mannen met
elkaar in gesprek en ze buigen zich over

mijn etenstafel, drukken hun armen tegen elkaar, vegen de
kopjes en glazen van het beduimeld blad, grijnzen

vervaarlijk vanaf bladzijde 7 en hoofdstuk 3 mij aan, bukken
zich en rapen de scherven waaraan de suiker nog kleeft.

 

(we zijn teruggegaan naar boek 4 uit 2010 teneinde het manuscript
te voltooien)

voor donker thuis

Bij het reizen door de tijd nam hij niemand mee, toch
waren alle ontmoetingen herhalingen en

uitgestelde verlangens en iedereen had als passagier in
zekere zin graag geboekt maar het kaartje was

kwijt, de kleding niet de juiste en de houding niet die
van een enthousiast kind. Zij was nooit

weggeweest nog. Hij herinnert zich een route en hand
in hand oversteken, hij had er

beelden van maar daarop is ook te zien hoe een klein en
wit konijntje plotseling vanachter hem opzij

hupt en zij opeens op knieën door het gras en fluisterend
door een geheime ingang verdween. Ze

kwam nergens aan maar als je die seconde stilzette, zat ze
met het beest op schoot en aaide het.

onderaan een brief staat een weerzien

Dat het ruikt naar vroeger maar wat is dat vroeger dan, dat
je een restje gebak snoept als ontbijt omdat je

eens de keldertrap afsloop en met je vinger langs de rand
en vol slagroom nog even de dag uitstelde, dat

elke maandag een nieuw begin vormde (en dan ook: van
wat) omdat je in de harde kerkenbanken om

vergeving vroeg (en dan ook: voor wat), dat je het pad langs
het huis nam en een hekel had aan het natte gras dat

tussen broekspijp en sok kroop, dat je beesten vermoedde die
naar boven zouden kruipen, dat je langzaam ook,

veel langzamer dan later, het dorp uitliep, dat er stilte bij
hoorde, later kwam de bui, later kwam alles

en dat je nu dan, wakker van de afwezigheid, door de open
deur hetzelfde ruikt als toen, met kruimels aan je handen.

duidelijker dan in de beelden

Sommige dingen moeten uit het systeem: hinderlijke flarden
van een gesprek dat nooit afloopt, een te

lange en overvolle trein, boterhammen die uit elkaar gevallen
op de bodem van je tas liggen. Andere

zaken blijven voor altijd opgeslagen: die open krullende hand
die om een centje bedelt terwijl ik alleen maar

een vinger heb om erin te stoppen, de grijns bij elke ontmoeting,
mijn handschrift hoewel steeds onleesbaarder en

snotterige kusjes van een overzees kind dat de afstand tot het
zesde oog nog niet kan inschatten en tjonk, tegen

mij aanbotst. Nergens wordt er gehuild, niet meer. Het hart
bloedt nog, de wond klopt nog, het bonzen naar

binnen gekeerd, zwaai nog even. Onderaan een brief staat een
weerzien en elke inhoud is immers discutabel.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑