Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: herinnering (pagina 1 van 12)

een dagelijkse oefening

Daar krioelden alleen de beesten onder mij. In het
donker en op natte aarde, tussen piepende hekken
en smalle stroken land waarover

eerder mijn voorouders de sporen trokken. Hier leven
de mensen die hun gesprekken, voertuigen, honden,
vrienden onderaan mijn voeten verdelen,

luidkeels snaterend niets in ere houdend dan zichzelf.
Om terug te zijn, het pad te lopen tussen deze twee
plaatsen en de doden te herkennen, de vogels

op te graven, de kerkklokken te laten luiden, drie
rondes vol omtrekkende bewegingen waarbij ik elk
van hen kan groeten, de bomen te horen

ruisen, de enkele stap echoënd in een ochtend die dan
pas ontwaakt met geuren van het bloeiend veld, de
oogst, het fruit in de schuur en haar psalm.

 

(op mijn auteurspagina op Facebook een flard presentatie uit januari dit jaar
van de bundel handelend over het dorp)

twee kamers waartussen

Er zijn dingen die ik helemaal nooit meer doe: mijn
benen openen, mijn benen sluiten, alsof ik

eindelijk zwem, jouw gewicht voelend met kleren aan
verzuip, boven kom en stil lig, voor altijd

doortrokken van een groot besef van leegte. Er zijn
dagen die ik helemaal niet meer ken:

je van me afschuddend terwijl je over mijn rug hangt
en bij elke beweging je vaster maakt, je

lach als de hand die me het oversteken leert. Er zijn
mensen die ik helemaal nooit meer zie:

jou, de ouders die voorbij de spoorlijn liggen, liefje
X., mezelf als dertienjarige, de man die

muziek maakte bij de lege polder achter zijn huis of
de zwemster die iets te enthousiast sprong.

verontschuldigend

Lang bleef ik denken dat het gewoon kon: ik zou op
het ronde raampje kloppen en wachten tot

zijn hoofd langzaam boven kwam, de deur van het
vooronder ontsloten, dan de vier dansende

stappen, de verende krullen, de grijns, de kajuitdeur
en het mij naar binnen trekken waarbij

het lijf tuimelend in touw en olie, voorraden en water
bijna, fietsen, boeken, lampen, stuur

en kapitein, opeens weer zou weten hoe het leven
werkt, terug zou grijnzen, geen woord zou

uiten dan het likken aan zijn hals, het bijten in zijn nek,
het scheuren aan zijn overhemd, het zoeken

van zijn mond, terugvallend in het ruim van een schip
dat varen kon naar het begin van de rivier.

waar alles gebleven was

Er zou een taart zijn waarin Barbie haar puntige voetjes
in de slagroom stak en nauwelijks bleef

staan, veertig bananenbootjes behoedzaam over straat
gedragen met bungelende

masten van chocola, een feesthoed met slingers van papier
naast haar grote blonde

staarten, vriendjes die gillend op witte t-shirts en plakken
deeg het verschil mochten maken, een

worstje rechtop, hele ananasschijven als zon, er zou een
pappa zijn nog die glunderend

kleurplaten printte met daarop dinosaurussen die leefden,
een mamma die alle vaders en moeders op

de koffie vroeg en later zou zij zeggen dat haar opvoeding
de meest geslaagde was, vergeleken met de rest.

(mijn meisje zomaar 31 vandaag)

de anderen

Van heel vroeger de filmbeelden waarin wiebelende auto’s
en stuntelige mannen het hele verkeer bepaalden,

ophielden en lachwekkend waren, het een beetje gegeneerd
grijnzen om zoveel misverstand en onrecht dat

het bijna huilen werd, de straat vervolgens leeg en een lichte
verwondering waar alles gebleven was. Misschien

voel ik me zo: een lichte botsing met een tegenligger die niet
dodelijk maar raak is, uit balans brengt,

rammelende onderdelen uit haar voegen stoot en met extra
veel moeite de weg een golvend geheel maakt,

terwijl alleen maar rechtdoor rijden is wat je wilt. Bovendien
wil je geen besmuikt gelach en geen traan om

dat wat misgaat, geen publiek bij de poging de rit te hervatten
en zeker geen beeldbepalend verlies.

ter linkerzij

Mevrouw X. houdt van vaste gewoonten, ze zit opnieuw
vlak naast mij en ze is als eerste zodat

haar rollator zijn vaste plek heeft en ze al een tweede kopje
thee heeft alvorens de anderen binnenrollen.

Vandaag zijn ze allemaal te laat, het begon toch pas tegen
drie en mevrouw P. kijkt hoogrood en stralend

mij aan en vraagt of ik weet wat ze nog even deden, ze
leunt tegen haar vriend die altijd met zijn bril

scheef en zijn hoofd scheef reuze onhandig lijkt maar het
misschien niet is, de heren Z. en W. zijn

boos en herhalen elkaar de dood en ziekte van hun vrouw
terwijl de een nog leeft en de ander tegenover

hun zit, hoe was mijn naam ook weer en wat kwam ik doen
maar zodra ik lees horen ze me, ach ja, vroeger!

Mijn vader verzon wel eens een passage, zegt mevrouw W.
en ik sloeg soms wat over, ik ook, zeg ik.

je fantasie

De zang juf van de lange richt rechtstreeks het woord
tot mij in de opnamen, ze kent me nu bij naam,

zelf wil hij zijn sessies niet terugluisteren, ik bedenk
me hoe ze eruitziet omdat ik geniet van haar

vrolijkheid, haar complimenten aan mijn kind. Soms
blijft iemand onbekend, een stem die

een heel personage schept en bijna een familielid van
je wordt terwijl je niet weet wie ze is. Dat

heb je met echte familie ook. Maar wat zingt hij dan,
vragen ze, zoals ze er van uitgaan dat ik niets

doe, nou ja, dat schrijven deed je vader ook en hij had
inderdaad geen broodtrommeltje achterop

zijn fiets zoals de rest en ook floot hij niet en wat zat
er eigenlijk in die schatkist in de schuur?

Lang verzonnen wij met hen een onbezorgde toekomst
en deuntjes die je nooit vergat.

murmelende kooswoordjes

Ze probeert iets te herkennen in hem, misschien de
warme handen die om de rand van

het tafeltje ervoor zorgen dat het water in de kan klotst,
de koffie in het kopje stijgt, een lepeltje

zachtjes tikkend haar concentratie verstoort, het is het
tegenovergestelde van toen, er past geen

uitgevouwen lucifersdoosje meer onder de tafelpoot,
hij kan het leven niet keren, ze is bang dat

straks de hele inhoud van de gedekte tafel naar beneden
valt, zijn vingers zijn dik, ze

lijken niets meer te maken te hebben met het getrommel
op haar lijf, hij neuriede daar dan bij maar

aankijken doet hij niet, nu niet, misschien ook wel zijn
ze koud geworden, dood zoals de rest.

plastic bloemetjes

Hoog in hun armen bekijkt hij de brede rivier die om
de stad heen loopt, het reuzenrad waarin zijn

pappa zijn mamma vroeg, het kinderkunstkleed in het
modernste museum waarover hij giechelend

naast zijn gekke vader kruipt, het puntje pizza dat hij
in zijn open mondje schuift, mamma zegt

Cheers, ik zie haar de letters vormen, hij heeft daarvoor
nog dag gezwaaid, rechtop in het scherm

voor mij, de sokken alweer half uit en lachend als ik
mijn blote voet via de werktafel in zijn

neusje duw, alle drie zo aanwezig en duidelijk en ik
als hem klauterend over de attributen,

hen, ons verleden, de herinnering aan moed en leven
en murmelende kooswoordjes als zijn ‘oma!’

sterren in de richting van het Noorden

Zal ik over een vijfentwintig jaar ook haar toefluisteren
dat ik een aantal bundels heb gemaakt, dat

jonge ding dat midden in de kring mij voorleest totdat
haar wangen net zo rood zijn als de mijne?

Weten hoeveel exemplaren er verkocht zijn en hoe ik
te werk ging en waar de voorbeelden

nog liggen en hoe mijn moeder dat vond en hoe ik over
de inhoud ruziede met mijn mannen? Trekt

iemand dan aan mijn mouwen en dwingt me tot zitten
omdat ik anders voorover tuimel en me

lelijk bezeer en bungelen er dan plastic bloemetjes aan
mijn rollator die mijn nieuwe verkering

mij geplukt heeft? Mijn lief die niet lezen kan meer maar
Baudelaire citeerde in een eerdere gang?

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑