Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: familie (pagina 1 van 6)

een schroefje

 

Bij terugkeer naar het dorp dacht ik aan ronde cirkels en
opdrachten als levensgeschiedenis, kruipen

op klompjes of de knieën op bevroren aarde van toen en
het bijzetten van familieleden, gebeurtenissen

en ervaring, niet aan halverwege omdraaien met een hekel
aan nicht C. of mezelf, de beperkte draai op

het kruispunt of het langzame handgebaar waarmee men
begroette of ging, ik hoopte eigenlijk op

voor altijd blijven en toch stegen we, met de overblijvers
op de rug en zonder te klimmen, halverwege

de blauwe lucht, tot deze takkenbos vol krijsende vogels
die kukelend en duwend elkaar het

leven bevochten en het voedsel misgunden en hadden we
het alsnog over voltooiing en zin, tot slot, en honger.

het bloot van jezelf

 

Op de plek waar hij zat ligt zijn kussen en als een vergeten
jurkje ligt daarop mijn bundel en door

de foto op de omslag ben ik meteen terug op het erf waar
wij speelden, niet tegelijkertijd maar wel

de hoeken en nissen delend, de spinrag en damp, beiden
uitgesponnen boven de dierenlijven, de

vieze muren, het opstapje naar de keuken waarlangs de
blubberlaarzen en klompen, de geuren van mest

en schuimende melk, en toch zit ik tegenover hem en heb
het over niets, hij is een rondje om nog, hij

zal zo wel verschijnen maar zij huilt en zegt dat het zo leeg
is en dat is de reden dat ik zwijg, natuurlijk, hij

is misschien wel bij je vader, zegt zij nog en onhandig zie
ik ze de koeien uit het land halen, hun petten scheef.

het patroon van mijn jasje

Mijn jongere ik is een zusje dat langskomt, druk pratend en
van de ene voet op de andere en kasten openend die

dicht zouden moeten blijven, met haar kleverige hand langs
de planken alles verplaatsend nadat ze

een voor een attributen pakt en giechelend omhooghoudt. Je
vertrouwt haar niets toe maar ze is je voor, dan

springt ze op je rug en blijft hangen, het blauwharig wezen,
en fluistert in je oren en niets wil je weten terwijl

zij alles weet, ze herhaalt je de vluchtpogingen en hoe vaak
je echt verdween, ze heeft het over man nummer

zeven en noemt de andere drieëndertig morgen want ze is terug
voordat je adem kunt halen en je mist haar

zodra ze even slaapt, het hinderlijke is dat ze gelijk heeft en je
kent, ze heeft dezelfde vader namelijk en ze is vrouw.

oranje pionnen

Mijn vader zocht mij vannacht in de garage van
het ouderlijk huis waar ik later, in de

armen van de nieuwe bewoner, moest beloven te
zullen schrijven over zijn kwaliteiten, ik

stotterend over verbouwing en inzet terwijl ik tegen
zijn borst leunde en hij mij over mijn haar

streelde. Mijn vader nam de telefoon aan die in de
gang rinkelde, uit de wasmachine haalde

ik zijn vader, de pennen uit het borstzakje op het
lichtgrijze colbert hadden vlekken gemaakt,

hij draaide nog wat rond, opeens was ik in mijn
vorige woning en rende de trap op, haren

kleefden als een gordijn aan de bovenzijde, mijn
vader startte de auto en reed weg.

de vaste weg terug

Zij kan uit mij. De pols zo los en dun, de kleur zo zomers
en warm, de huid die van mamma. Bij haar

de roofjes van haar gevoeligheid, bij mij de blauwe plekken
van zijn onhandigheid. De Eeuwige die

geen Vader genoemd meer wordt. Andere regels dan die ik
uit het hoofd meezing, voor hen

de kist, zijn pet, zijn foto, zijn lach nog. Over het gras is de
weg korter. Achter ons de streepjesjurken, open

sandaaltjes, eau-de-cologne op een gevouwen zakdoekje, de
zon, weke witte broodjes met lubberende

roze ham. O om je naam te roepen in een lege kerk, de echo,
grote handen op het orgel. Heel hard

te fietsen op onze hakken, de broekspijpen opgerold. Om te
slapen op het marmer. Wij komen uit hen.

de juiste gelegenheid

Dus hij is nu naar de overkant en hij ging in volle overtuiging
dat zijn Heer op hem wachtte en kijk, ik

zie zijn zwaaien en zijn lach en hoe hij van onder de tafel
opstond en vertrok en zijn hoofd niet stootte en het

taartje niet liet vallen, de rest aan mij liet, ik zie hem gaan. Dus
hij wiens krachten langzaam vervielen, bij

wie alleen de dromen enger werden, stuurt mij binnenkort een
routebeschrijving en een kaartje met vrolijke groeten

en wel thuis. En tot zo lang droom ik nog mijn ergste dromen,
maak mijn lakens nat, print mijn afdruk in

de zachtste bedding en schreeuw genade en help en red ons en
verdomme waarom ben jij niet hier en raak

in de kluwen verward alvorens ik van de rand op de grond stoot
en de deur op een kiertje laat voor het licht, het licht en Hem.

 

(neef K. nogmaals)

de koelte van dit papier

Straks zijn alle randfiguren op: tenminste een van de nog
genoemde mannen uit de laatste bundel wiegt

zich al zachtjes in de armen van de dood. Zijn groot lijf
ligt in de achtertuin tussen de reeds vertrokken

hazen, kippen en mijn vader, zwaaiend nog naar de sterren
boven hem en langzaam lachend om het

potsierlijk geheel: die onhandigheid toch ook van dat vallen
en vooral dat blijven liggen daar, geen beweging

meer dan dat zwaaien en vertrekken van de mondhoek. We
zaten onder tafel eens en deelden een

taartje van een tante en voelden ons veilig tussen de gladde
kousen en hakken, de mannen op sokken, de

klompen bij de deur, de geanimeerde stemmen van familie
die zich nu opmaakt voor zijn komst hier boven.

Niemand behalve ikzelf die wist dat ze in de hoeken van
dit papier weer zouden leven.

 

(In herinnering aan neef K. die – zo bleek later – vannacht overleed)

 

wit

die circusact

Hij is degene die we nu willen horen: dat plezierig
gemurmel dat vanuit het kuiltje in zijn

wang en zijn hartjesmondje en zijn twinkelende o
zo donkere ogen, zijn mollig halsje en

zijn dappere beentjes en alles dat daartussen aan
plooi en geruit overhemdje en zacht

katoen zit, dat slaande handje dat aan haren trekt
en boven op het hoofd blijft liggen, even

dat onverstaanbaar duiden van liefde, dat kwijlend
het gezicht heffen tot bereikbaar, dat

herkennen vanuit die afstand die eigenlijk hinkelend
genomen kan, dat en die eerste

wonderen, lijm tussen ons allen en kriebelende en
steeds maar groter wordende blijdschap.

 

(hij is onderweg)

dat vrijgevig gedrag

We hadden steeds gezegd dat dit geen liefde was, we
veroordeelden haar, maakten grapjes over de

lengte en de inhoud, wezen haar al lachend af tot dit
moment misschien: klapperende vlaggetjes in

een witte tent die trekkend aan haar touwen vliegen
wilde, ijle witte hakjes die torenhoog

haakten in het tere kant van haar jurk, de vlechten in
het zware haar dat in de ochtenden steeds

opnieuw tot kunstwerk werd en nu door hem werd
gedragen, de nerveuze vader die

in twee talen sprak en het knikken dan in plaats van de
woorden en de wind die alles onverstaanbaar hield,

kippenvel op de armen en dan zeggen dat we niet
ontroerd waren maar het weer zo verraderlijk was.

de drie mannen onderweg

Dat ik iets wil zeggen maar hij leest mij niet. Ik leun tegen zijn
koelkast en volg zijn bewegingen, dansend bijna

maar niet meer zo soepel, ik zag hem ook maar één keer dansen,
schrijft hij ooit nog, en bezorgd bijna zie ik hoe

hij ingrediënten in de pan gooit, roert, zich omdraait en iets uit
de kast pakt, bij de koelkast moet, natuurlijk, nog

even wat uit de gangkast haalt, weer terugveert en bijna een
pirouette probeert, en lacht, bij dat alles lacht, met

vrije hand zijn mobiel uit de achterzak pakt en mij wat foto’s
toont, een lijf in regenpak hangend aan de mast

boven dat wat onpeilbaar en onmetelijk groot blauw ligt te zijn,
of zijn neus herkenbaar van opzij turend in

dat wat eens mijn terrein was, mijn broertje, mijn speelkameraad,
mijn vertrouwensman, alleen geen lezer, niet van mij.

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑