Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: dromen (pagina 1 van 15)

precies passend

Hoewel ik nog roep dat ik schrijver ben en ergens ook
denk dat het hetzelfde is, moet ik vannacht voor

een commissie verschijnen die mij beoordeelt op kunst.
Tientallen formulieren moet ik invullen, er

zijn deadlines voor het inleveren van werk, de kinderen
helpen mij, plotseling zitten we in een

speelgoedtreintje dat langs nuttige attracties tuft en stap
ik uit bij een reuze ei dat naar de maan gaat,

erom heen ontbijtbordjes met diverse varianten van een
vroege maaltijd. Wakker moet ik opnieuw

uitleggen wat kunst voor me betekent, nu alleen voor
mezelf. Na jaren hoor ik de wekker en weet

zelfs eerst niet waar het hoge schrille gepiep vandaan
komt en of het iets met het ei te maken heeft.

de mate van doorzichtigheid

Alle obstakels vermijdend in de stad, de knoppen die
bijna uit elkaar barsten, de kleverige schil

aan de overvolle takken, bukkend voor het gewicht,
herinner ik me de droom waarop iedereen

bovenop de Grote Kerk stond en achter hen alleen de
lucht zichtbaar zodat het leek of

de enige hemelvaart te A. was, de meest zaligmakende
plaats op aarde nu. In groepjes keerde men

echter terug, als Goden die eindelijk menselijk, het
echte werk gingen doen maar dat dacht ik pas

fietsend door de lege bochten waarin alleen die bomen
de leegte illustreerden terwijl zij

vruchtdragend steeds dichter op het asfalt hingen en
mij nauwelijks lieten gaan. Ik was wakker.

aangevuld met alles van haar

Komen er eerst nog rozen uit de kopieermachine, droge
harde die knappen bij het vallen op het bureau,

later zijn het vlammen en knallen en stort het hele kantoor
in terwijl ik urenlijsten vermenigvuldig die

ieder nog invullen moet. Er zijn twee vrouwen die op de
schoot van een collega genomen worden,

er zijn een heleboel nieuwkomers die nog ingewerkt moeten
en mijn vader bezwijkt op straat waar mijn

moeder zich weer vreselijk aan ergert. Het zijn allemaal
fragmenten van een vorig werkend leven,

de opwinding hoe uren vol te maken en te verantwoorden
en een grote mate van collegialiteit blijkbaar, plus

een licht gemis aan mijn kibbelende ouders, terwijl de
buren op straat wijzen naar het verkoolde restant.

zij is al binnen

In de nacht hoor ik zijn stem, hij is niet lekker, hij wil
naar huis, hij heeft alleen geen kleding meer.

Hij is de laatste die me belt en bezoekt, de laatste die
ik redden moet, alles is onuitsprekelijk

vermoeiend. In de ochtend vind ik op het weggeschoven
schermpje een nachtelijke tekst met

verwijzing naar de zangles van daarvoor, ‘Nothings
Gonna Hurt You, baby’ en meteen is

alle kou verdwenen, ik heb genoeg kleren om hem te
warmen, er is genoeg voor iedereen. Je mag,

zegt de juf, best meer volume gebruiken, het is niet in
overeenstemming met je postuur. Hij haalt uit,

hij haalt in, het is de enige muziek die ik me toesta, daar
scheurt de droom, daar grijnst hij terug.

 

Cigarettes After Sex, ‘Nothings Gonna Hurt You, baby

door een geheime ingang

Vannacht kreeg ik een enorm pand cadeau, een simpele en
rechte schoenendoos met kamers op een rij, waarin

een deur en een raam, geen bodem, geen deksel en van een
smerig wit waarop zo fijn Fuck en een omcirkelde

A aan vroeger deden denken. De oude dichter K. was trots
op zijn gift maar ik keerde haar om zodra

hij weg was, er viel een oude muis met stomp gezicht, een
nog oudere kat die vaag leek op de mijne, een

stukje vis en een stukje kip en heel veel stof en kruimels uit.
Vanaf dat moment was de ruimte ondergeschikt aan

de beesten, de muis viel voortdurend, de kat deed geen poging
tot vangen, ik liep weg en elke keer weer

kwam ik beiden tegen. In een echt huis sloot ik de deuren tot
zij zo zielig beiden zich tegen het glas drukten.

Er was geen geluid, er was alleen een jongen die meende dat
de beesten dood zouden gaan als ik niet schreef.

omkijkend waar of dan toch het gezelschap blijft

Iedereen doet mee, zelfs de knuffels komen tot leven, springen
in mijn fietsmand en rijden mee, stappen uit als hij

dat zegt. Alle kinderen gedragen zich naar zijn wensen, goed,
ze mopperen onderhands en begrijpen niets van

de instructies, dragen kleding in andere kleuren, echte dieren,
kartonnen dozen met planten, praten

nauwelijks, vragen aan mij of dit wel zo moet, mijn nog levende
ouders zitten op klapstoeltjes in

een grasveld, er loopt een spin langs een knuffel die ik water geef,
hij belt voortdurend wijzigingen door, er is een

assistente die ik niet ken en zelf, zegt hij, mag ik niet te veel opvallen.
Het zijn beelden waar ik doodmoe uit opsta,

partijen die allemaal gesust en aangespoord moeten worden, niet
echte situaties die hij vergeefs regisseert.

waarschuwingen naar haar

Vannacht riep ik om mijn moeder, zelfs om de vader van
mijn kinderen van wie ik de jongste, een baby nog,

zoals altijd in mijn bed legde. Hij rolde zich tegen de kant
maar stond even later op en zocht

het streepje houtskool waarmee ik hier bomen en bloemen
tekende, verstopte zich daartoe achter de

licht wapperende gordijnen voor hoge dunne ramen. We
vonden een koalabeertje dat onder aan een

tafeltje hing, een enorme bij die zoemend in zijn mond
wilde vliegen, toen gilde ik dus. Wakker van

mezelf bedacht ik me dat hij immers weg was maar hoe
mijn mamma mij zou troosten, tot ik zeker wist

dat ook zij allang niet meer bij mij was en een intens verdriet
me achterover deed tuimelen uit een van de vensters.

de vage betrekkingen

Vertrekken die wanden kennen die eigenlijk deuren zijn,
je gewicht vertrouwen en dan opengaan, tussen

kantoormachines uit een vorige eeuw, prullenbakken met
weggesmeten proppen papier, mannen in

pak die als etalagepoppen de weg versperren, een plastic
zak die langzaam gevuld wordt met

warme weke pasta. Daarboven ergens moet ik zijn, ik ben
te laat voor een afspraak, waarschijnlijk ook

vreselijk bloot. Als mijn vader mij eindelijk leest, zegt hij
dat alles verzonnen is. Dat is als

ik op tijd boven kom en aanschuif en een keurig jurkje blijk
te dragen. Naast hem hangt de bankbediende die

ik ooit omverliep met administratie en al, de draaideur stremde,
op de grond een hond zo groot als het vloerkleed.

zoiets misschien

Verdriet hoort bij de nacht, bij het vruchteloos zoeken naar
het beeld dat je daarvoor nog droomde, gangen

in een huis waar je doorheen dwaalt, schimmen van haar
jurkje dat om de hoek verdwijnt, het

bodemloos kil verschieten van haar kleur, het roepen van
het kind dat haar niet bereikt, mijn mamma

vliegt. Verdriet hoort bij de eerste uren van de ochtend, het
zwart dat op je drukt, het ruiken van haar

eau-de-cologne, ze heeft het zakdoekje in vieren gevouwen
en nog op mijn voorhoofd gelegd, het

murmelen van haar taal terwijl ik haar wat wilde zeggen en
zij mij nooit meer zou verstaan, haar vinger

priemt nog in mijn lucht, ze wijst naar de stand van de maan,
zij voorspelt mij het weer en haar dagen.

men heeft mij opengedaan

In een droom laat ik mijn kinderen naar het midden van
de aarde lopen, we staan op de hoek van

het oude schoolplein in onze straat en ik draag een soort
lantaarn waarin een klein lichtje schijnt bovenop

de landen en een dun boompje precies op dezelfde plek
wiebelt als waarop wij staan en waaruit,

zodra wij kijken, een mager liedje begint alsof het een
kinderkoor betreft dat in het witte kerkje

aarzelend en niet zuiver de roos in koude grond bejubelt
om daarna met slechts een sinaasappel en

een plat, zaligmakend boekje beloond te worden, de fluwelen
randjes om jurkjes hard van snot en lang wachten.

We staan stil, we luisteren. Omstanders willen ook, sluiten
ons in, het lichtje wordt sterker, de roos groeit.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑