Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: dromen (pagina 1 van 14)

met flutterig handgebaar

 

Ze wonen tegenover elkaar, twee kamers waartussen
een witte hal waarin ze hun rollators kunnen

keren en mij laten draaien, linksom, rechtsom zodat
ik net nog hun handen kan houden om

ze tegelijk beet te pakken en te vertellen over toen.
Dat lijkt althans de taak en ik neem het

heel serieus, zoals alles. Ik zie hen beiden maar iets
zorgt ervoor dat ze elkaar niet ontwaren,

ik hoor hun beider stemmen maar ze luisteren niet
naar elkaar en ik voel hun handen die

ze zelf niet meer uitwisselen. In mijn vaders grote
verdwaal ik opnieuw terwijl mijn mamma

venijnig knijpt, ik ben ontzettend moe van het staan
daar maar kan ze niet loslaten, tot nu.

het iets in mezelf

Ze was veel jonger nu en zorgelozer, het haar los en
lang en ze lachte om de manier waarop ik

in de woning naast haar met twee mannen leefde die
overigens meer van elkaar dan

van mij hielden maar me verzorgden met exquise hapjes
en ragfijne stoffen. Haar manier van

lopen op hoge hakken had ze aan mij overgedaan, zelf
was ze meer de boerenmeid van geboorte,

ook haar wangen waren roder en voller dan ik me wist.
Ik denk dat we even oud waren tenslotte

en vrij van elkaar en de anderen waren er niet. De tuin
was vol en kleurrijk, de bloemen kriskras

door elkaar, onze erven met de bekende hinkstap tegels
waar zij nu blootsvoets haar benen hoog hield.

het getrommel op haar lijf

Er zouden tien mensen op tien verschillende wijzen
omgebracht worden en omdat ik de tiende

was, zag ik de negen andere manieren zonder te weten
hoe mijn einde zou zijn. Gebruik je fantasie

ergens anders voor, zou hij zeggen, maar ik riep om
mijn moeder, ik riep hartverscheurend om

mijn moeder. Ik vluchtte en kwam terecht in de stad
waar mijn kinderen ooit woonden, klauterde

tussen de spijlen van een groen hek, kwam op een veld
met wit uitgeslagen patronen, stal een fiets en

probeerde het station te vinden, sliep later in een bed
waarin ik verstikt raakte in de lakens. Ik

kwam niet thuis. Wakker deed ik de balkondeur open
en verzon hoe ik zweefde naar omlaag.

het vacuüm

Katachtige bewegingen in mijn rechterooghoek, wind die
aanzwelt en de vlek nog zwarter maakt, de

stem alsof hij me gisteren wekte nog, straks ploft hij met
een vanzelfsprekendheid bovenop mijn

slapend lijf. Ik blijf wakker, sluit mijn deuren, spreek alleen
met het blozend kind overzee dat ‘auto’

zegt en het voertuig me aanwijst, onder zijn voeten het
uitgevouwen boek, hij reikt me zijn

armen, meer kan ik niet dragen. Zijn moeder krult op de
grond in een wintertrui, haar lange vingers om

een warme mok. Ik heb het haar niet verteld. Het licht uit
het scherm vervaagt al het andere. Later

is ze in miniformaat nog even terug in verkleedkleren en
danst, de wereld weer ontsloten en hanteerbaar.

wijde armen nooit lang genoeg

Ik droomde in kleur. Er verscheen een blauwe vlek
met witte randen als cartoon in mijn werk,

een ster die bij goed gedrag uitgedeeld zou worden,
vermoed ik, een wolk ook die hemels

uit zou dijen en tot olifant geblazen zou wegwaaien,
ik werd uit een kelderraam gehesen,

daar liep de oude schrijver wiens manuscripten ik had
uitgetikt, een kind of drie, mijn

broertje die alleen even met zijn hoofd knikte, opeens
ook de ruimte die ontstond in mijn lijf

en om me heen, schragen vol eten, langslopend publiek,
boeken die als torens oprezen en vanuit

de diepte als emmertjes water bij een brandje, aan elkaar
door werden gegeven tot ze mij omringden.

 

 

tot elkaar veroordeeld

bij die dromen, foto’s Alja Spaan

tot elkaar veroordeeld

Als ik in het ouderlijk huis de sleutels draai in alle
deuren, is er zoals in elke droom aan

de andere kant een figuur die bijna eerder trekt aan
de deurknop en binnendringen wil zoals

er beweging is in de struiken en de bomen buigen
alsof het voortdurend stormt en het fruit

verrot op de velden ligt, dan ga ik van achteren naar
voren en kom langs haar kwetsbare zijde

waar ik de garagedeur wijd open vind, mijn vader
in overal en op klompen sleutelt aan een

zwarte Volvo-sport, nu met racenummer, en mijn
grootvader op het tegelplein staat met de

armen in de zij en weet ik niet of dit geruststellend
dan wel verontrustend is, zij wel.

elke keer komen wij onverhoeds weer binnen

Bij een bepaalde wind, storm uit het oosten of gewoon
een hoger cijfer dan normaal, schieten de

lichte insecten vanuit mijn rechterooghoek brommend
op me af, alsof ze allemaal van plan zijn

hun angels in mijn bil te steken of erger nog, dwars door
mijn oog te gaan dat voorgoed dan stil

blijft staan. Zo zijn ook de dromen bonter, meer mensen
die mij bezoeken, meer kinderen en kleuren

zelfs als graffiti op een dode muur, het raam klapt dicht,
de warmte schopt mij bloot, ik moet allen nog

waarschuwen voor de kracht van de natuur, wat vergat
ik te zeggen nog, dan komt de volgende

vlucht, spuwend gillen zij nu, steeds groter en buk ik maar
als een medepassagier op de voorste rij.

de grote-mensen-wereld

In de nacht til ik mijn jongste uit dit geopende raam, ik
zie zijn verschoten te grote broek, het grijze

lievelingsshirt, het gezichtje nog zonder bril, de ogen zo
onbegrijpelijk groot, en leg hem op de rode

bank die dwars in ons waterhuis staat. Hij vertelt hoe er
afgesproken is te betalen voor elke keer dat

er ruzie is, zijn zusje knikt, spelend verderop, en ik gil
dat er helemaal geen ruzie hoeft te zijn en ik

hoor mezelf en dan verzint hij een verhaal om mij af te
leiden, zoals hij dat altijd deed, hij zegt

dat ze, en hij wacht even, hem in elkaar hebben geschopt,
maar zijn ongeschonden lijfje is dat van

een vredestichter en er is helemaal niets gebeurd dus trek
ik hem bovenop me en slaap en droom over niets.

schaterend over een vergrijp

Op het water staat een legertruck met Duits kenteken. De weg
is even winters en stil als uit mijn jeugd. De witte

kattenrug wordt bestuurd door mijn laatste lief, ik zit op de
achterbank en leun met mijn armen over de

stoelen en kijk naar rechts terwijl links zich schoten vormen.
Ik probeer het gesprek gaande te houden maar

hij antwoordt niet meer en als ik mijn hoofd draai, zie ik dat
hij geraakt is en niet meer leeft. Ik klim over

de stoelen, duw hem opzij, probeer me te herinneren hoe ik
remmen moet, hoor mezelf hardop instructies geven,

rijd de auto op een parkeerplaats en val uit de deur. Al die
tijd heeft hij zijn ogen open. Misselijk blijft

de slaap weg, de buurman schreeuwt, kou trekt door het open
raam en dan die licht zilveren bevroren plas water

waarboven in de ochtend zich rood de warmte laat vallen en
het vertrouwde motorgeluid van een Volvo.

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑