Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: dromen (pagina 1 van 14)

men heeft mij opengedaan

In een droom laat ik mijn kinderen naar het midden van
de aarde lopen, we staan op de hoek van

het oude schoolplein in onze straat en ik draag een soort
lantaarn waarin een klein lichtje schijnt bovenop

de landen en een dun boompje precies op dezelfde plek
wiebelt als waarop wij staan en waaruit,

zodra wij kijken, een mager liedje begint alsof het een
kinderkoor betreft dat in het witte kerkje

aarzelend en niet zuiver de roos in koude grond bejubelt
om daarna met slechts een sinaasappel en

een plat, zaligmakend boekje beloond te worden, de fluwelen
randjes om jurkjes hard van snot en lang wachten.

We staan stil, we luisteren. Omstanders willen ook, sluiten
ons in, het lichtje wordt sterker, de roos groeit.

zijn rol in de geschiedenis

Er is een wijziging die ik nog moet doorvoeren, een stapel
prints ligt op een tafel klaar waar de bundel, met ringbandje,
nog van voorzien moet worden en er is

weinig tijd, het publiek zal zich zo verschansen in het pand
waar ik kunst en kinderen combineer aan dezelfde tafel en
enorme voorraden boeken, eten, katten,

speelgoed, tassen, vuilniszakken op de grond rondom; ik
verbeeld me dat de mensen al door de ramen gluren en tegen
het glas leunen en straks gewoon naar

binnen zullen vallen en ik zal nooit op tijd klaar zijn, erger
nog, ik weet niet eens wat er veranderd moest, is het wel
nodig deze ongerustheid te voelen, ben ik niet

altijd foutloos en correct en bovendien, maakt het iets uit?
De kinderen stellen gerust, als altijd, en ik begin het huis
op te ruimen in plaats van de woorden en

voordat ik de deur openzet, zie ik jonge katjes in de hoek
van de kamer en schimmel op de rugzak die ik vroeger op
de schouders hees met het werk van toen.

het

Vrouwen vliegen alle kanten op, er lopen er een
aantal over een dijk, er fietsen er drie,

vier door de hoofdstad, er borrelen een paar in een
Italiaans restaurant en ik verzamel nog

kinderen, van werken komt niets. Ik bezoek een
toilet met een spiegeldeur en bewonder

mijn hooggehakte wreef en hoe de broekspijp net
op goede hoogte valt, ik wil haar

op de foto maar zoek niet naar mijn camera en er
was iets met de kleur roze. Misschien

omdat de bezoeker zijn wijn meehad en in het gesprek
vond dat ik het gewoon kon doen: die

afspraak vergeten, uitslapen, bezwijken onder zijn
druk en niet hardop te schreeuwen ’s nachts.

nieuwe streep

Ik schreef voor een dichter zijn werk over met
onzichtbare inkt, er vormden zich bobbels

op het papier alsof ik figuren overtrok die daarna
geraden moesten worden en een nieuw

spel vormden, het afgescheurde stukje kwam uit
een multomap die open noch dicht

wilde en daarna fietsten wij naar een overvol park
waar in een ondergronds toilet tien tot

vijftien euro betaald moest worden voor een plas.
Hij zou gaan voorlezen maar het vers

haperde, mijn fiets raakte kwijt en ook de dichter.
Ik noem geen namen maar zijn roem

taande na die keer. Het was ook een plek van niets
en een erg sacherijnige toiletjuffrouw.

de beweging

Dromend kom ik terecht in de vriendenkringen van
mijn kinderen die jong nog in het huis achter

gebleven zijn. Het zijn mannen nu die auto’s rijden
en tassen dragen onder hun linkerarm, overhemden

in een dure broek, plannen uitgewerkt tot in de laatste
details en schoenen met tikkende hak.

Voordat ik ze zoen, licht duwend tegen de portieren
van extra lange wagens die zich met lichtsignaal

openen, eet ik zoete kleine gebakjes die ik opentrek
en leegschud als koffiecapsules, zij

nerveus wachtend. Misschien omdat ze in het schema
van de kerst voorkomen zoals ze vroeger

op elk feest aanwezig waren en misschien omdat er
drie dropjes op het laken lagen tijdens het slapen.

ze wordt meisje genoemd

Hij leest me bij voorkeur ’s nachts, dat komt gewoon
omdat er niemand naast hem ligt die zo

mooi voorleest als ik dat deed zodat hij opnieuw wakker
blijft en gerustgesteld moet, niet dat

ik dat vervolgens doe, ik kijk hem prangend aan, plaag
met mijn inhoud en maak hem onzeker,

ik ben ook lang zo warm niet als toen ik daar lag en
nog steeds ben ik niet terug en er is niemand

die net zo rustig en vaak haar armen om hem heen slaat
en fluistert in zijn oren. In de nacht telt

niemand voor hem af wanneer het feest nu eindelijk
begint, het donkere gegiechel komt van

spoken die, leuk geprobeerd, hun verhalen braken en
hem zeggen te kennen terwijl ze hem smoren.

een soort tegemoetkoming

Het enige dat ik deed was over hem dromen, ik wist niet
dat hij al echt onderweg was, wilde ik

hem voorlezen als hij er was? Waarom gaan de dagen zo
snel en waarom had ik altijd een bijna

hekel aan het teveel aan woorden tussen ons, was het alsof
ik betrapt werd in mijn stoer gedrag omdat hij

wel wist dat er een klein meisje school in al die beweging
en wilde ik dat niet weten. Zo werd het liefste

dat hij zei, behalve dat van die ‘great poet’ waarmee hij me
introduceerde, dat die ander echt

van me hield, een vrijgeleide voor alles dat nog zou volgen,
alles was mogelijk, tot

de sterren en weer terug, hij dan en ik het vers zingend op
de wijs van wat vrienden uit een vorig leven.

met flutterig handgebaar

 

Ze wonen tegenover elkaar, twee kamers waartussen
een witte hal waarin ze hun rollators kunnen

keren en mij laten draaien, linksom, rechtsom zodat
ik net nog hun handen kan houden om

ze tegelijk beet te pakken en te vertellen over toen.
Dat lijkt althans de taak en ik neem het

heel serieus, zoals alles. Ik zie hen beiden maar iets
zorgt ervoor dat ze elkaar niet ontwaren,

ik hoor hun beider stemmen maar ze luisteren niet
naar elkaar en ik voel hun handen die

ze zelf niet meer uitwisselen. In mijn vaders grote
verdwaal ik opnieuw terwijl mijn mamma

venijnig knijpt, ik ben ontzettend moe van het staan
daar maar kan ze niet loslaten, tot nu.

het iets in mezelf

Ze was veel jonger nu en zorgelozer, het haar los en
lang en ze lachte om de manier waarop ik

in de woning naast haar met twee mannen leefde die
overigens meer van elkaar dan

van mij hielden maar me verzorgden met exquise hapjes
en ragfijne stoffen. Haar manier van

lopen op hoge hakken had ze aan mij overgedaan, zelf
was ze meer de boerenmeid van geboorte,

ook haar wangen waren roder en voller dan ik me wist.
Ik denk dat we even oud waren tenslotte

en vrij van elkaar en de anderen waren er niet. De tuin
was vol en kleurrijk, de bloemen kriskras

door elkaar, onze erven met de bekende hinkstap tegels
waar zij nu blootsvoets haar benen hoog hield.

het getrommel op haar lijf

Er zouden tien mensen op tien verschillende wijzen
omgebracht worden en omdat ik de tiende

was, zag ik de negen andere manieren zonder te weten
hoe mijn einde zou zijn. Gebruik je fantasie

ergens anders voor, zou hij zeggen, maar ik riep om
mijn moeder, ik riep hartverscheurend om

mijn moeder. Ik vluchtte en kwam terecht in de stad
waar mijn kinderen ooit woonden, klauterde

tussen de spijlen van een groen hek, kwam op een veld
met wit uitgeslagen patronen, stal een fiets en

probeerde het station te vinden, sliep later in een bed
waarin ik verstikt raakte in de lakens. Ik

kwam niet thuis. Wakker deed ik de balkondeur open
en verzon hoe ik zweefde naar omlaag.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑