Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: bloemlezing derden (pagina 1 van 68)

echt alleen voor hen

Hetzelfde boek, dezelfde lezer, andere markeringen in tijd en
plaats, andere aanduidingen, dezelfde

gretigheid, dezelfde moeite de enorme omvang in de hand te
houden, wisselen van het linker naar de

rechter. Een opdracht in potlood, twee briefjes halverwege, het
een van een kind uit de beginjaren, het gezin uit

het tweede deel, de ander een rijmpje voor de Sint, overgebleven
snoepgoed, waarschuwingen kinderlijk lachend

en niets van de man uit het eerste deel. Andere zegswijzen, een
nieuwe conclusie, een samenvatting die eerst

nog niet gegeven kon worden, een dode moeder, een overspelig
feit, een kind zo trouw, een beheersbaarheid,

ballen in de lucht, nog altijd het idee dat de act een andere is als
die van haar, nochtans dezelfde.

waarin mijn hand verdwijnt

Mijn vader heeft mij uitgereden
met paarden in een zware gang.
Ik lig ontdaan van mijn bestaan
in duizend stukken uit elkaar.

Ik wacht op warmte, zachte regen,
opdat ik na verloop van tijd
ontkiem en mij bijeen zal rapen
om uit de dood weer op te staan.

Atze van Wieren, Mest, uit: Grondstof

daarboven ergens moet ik zijn

En daar liggen we dan nu
en praten ergens over,
geeft niet waarover.
Omdat je alles van me weten wil,
in elk geval meer dan tot nu toe
wie ook ter wereld,
en liefst wat niemand anders weet,
vraag je: wat is poëzie,
misschien wel eigenlijk alles?

Misschien wel. Ik geef een voorbeeld.

Boven je keukentafeltje hangt
een grote plaat: vogels
die je haast niet meer te zien krijgt
in de natuur.
De grote stern in zomerkleed grijswit
de bonte strandloper
de steenloper bruin in vlucht
de kleine jager
de zilvermeeuw de mantelmeeuw –
het zijn onze levende zielen,
stoten en vlagen van de wind
trotserend, heen en weer
tussen de branding
en de schamele duinkust.

Je bent niet overtuigd. Dus vraag je verder:
hoe echt meent de dichter zijn woorden?
Koortsachtig bedenk ik een uitweg.

Dat afgetakeld karkas daar
van een schoener, dat onze boulevard
ontsiert, dat daar ligt
als een voorbije wereld –
of zoiets nutteloos: wil jij dat?
De dichter wel.
Hij sloopt er een plank uit,
hij gooit die plank in zee
voor de drenkeling die hij gedroomd heeft.
Hij krast in de planken
wat woorden, een straatnaam,
anders gezegd:
de dichter overnacht op het water –

jouw straatnaam? (vraag je) en nummer?
briefje aan de bel ‘welkom,
sleutel bij de buren’,
dan na dagen kom je van de reis
thuis, kleine jager, en wat zie je?
je boekenkast omgevallen,
de ijskast leeg, kandelaars gestolen,
je dwaalt door je kamers als een late
voortzwoegende mug,
anders gezegd:
je overnacht die nacht op het water –
is dat poëzie?

Misschien moet ik ooit de zee op,
bij nacht, bij vloed, niet de zee van Saint Clair
maar de zwarte. Omdat mijn dochtertje
dood wil – wie dood wil moet mogen,
maar zij schreeuwt als een meeuw,
ze weet niet meer wat ze wil, denk ik –
ze werd van de boulevard af het strand
opgesleurd, bleef met haar oorbel
hangen aan de bajonet van een spuiter –
ik laat mijn verbeelding en bijna
mijn tranen de vrije loop.

Je moet geen gedichten maken (zeg je)
die iemand pijn doen,
iemand die van je houdt of hield
en nog leeft,

poëzie mag nooit pijn doen.

Huub Oosterhuis, Gedroomde god (10)
vandaag in gesprek voor Meander met Oosterhuis
komen we toch in de Rode Hoed al is het niet als winnaar van een Turing

dat aanstekelijk grimassen

Het spreekt voor zich.
Hoe distels over paarden praten.
Wat ongebleekte katoen de maan te zeggen heeft.
Het is me helder.

Echter.
Wat zou een potlood aan de zon willen zeggen.
Wat vraagt de ochtend aan de avond,
als de middag er niet telkens tussen zat.

Wat zou het onderbewuste,
het bewuste willen laten vergeten,
als het niet vergeten was, hoe vergeten ging.

Waar zouden schaamte en dauw
elkaar willen ontmoeten.
Waar ligt het breekpunt van een kindertraan.

Wat zou liefde lust willen vergeven
als alle vragen niet zouden worden verzwegen.
Waarover oreren het onbekende en onbegonnen werk
na hun tweede Tinder-date.

Wat vraagt het knoopsgat aan de container,
het priemgetal aan het breekijzer en
de volgesneeuwde fietstas aan de wereld.

Waarover wil het gevoel spreken
als -het vergetene- zichtbaar was.
En wat wil het gesprokene voelen
als het de woorden vinden kon.

Waarom ik het wil weten, ik weet het niet.
Of ik het wil weten, ik heb mijn vermoedens.

Hugo de Haas van Dorsser, Wordbites, De dingen,
uit: Aan alles komt een begin (De ander)

zeker negen

Ik denk het water dat groot en grijs begon.
Begin.

Het rolt als een herinnering die zich hervindt en anders.

Maria Barnas, uit Vreemdgaan
uit: Er staat een stad op /
opgenomen in de bloemlezing Je bent mijn liefste woord (Anne Vegter)

dat likken aan mijn inkt

“Er was zelfs een tijd dat ik zeker wist dat ik dood wilde, maar nu denk ik dat de pijn niet komt doordat zij niet van jou houden, maar doordat jij niet van hen kunt houden, in ieder geval niet genoeg, niet zoals je zou willen, of zoals je zou moeten. Je kunt honderd brieven schrijven en in elke brief weer vragen waarom altijd alles kapot moet en ondergekotst, maar je zult geen antwoord krijgen. Toen dacht ik nog dat alles anders kon en dat die brieven genoeg zouden zijn om iemand aan je te binden. Misschien kun je niet veel meer doen dan namen verzinnen voor wat er niet is, zodat het makkelijker wordt erover te praten, of tenminste proberen erover te praten. Alleen het gekke is dat ik dacht dat het er wel was. Toen ik al die namen verzon, dacht ik dat ze op weg waren hierheen, en dat ze er altijd zouden zijn. Misschien is ook dat niet belangrijk en heeft die man gelijk die beweerde dat het leven hem had geleerd niet kieskeurig te zijn. Het kan best zijn dat ik die man was, of dat ik het ooit iemand heb horen zeggen, en dat ik toen dacht: Dat wil ik ook zeggen, want zo is het.”

Arnon Grunberg, uit: Blauwe Maandagen, Onder de dennenboom

en ook de dichter

Mij neemt het, als meer gebruikelijk,
nu waar: letter na letter
teken ik weigerachtige woorden,

en lees ik uit mijn liefste boeken
de oude bezweringen op,
is er niet één die werkt.

Hans Andreus, uit: Winters 2.

zoals ze vroeger op elk feest aanwezig waren

 

Ik ben nog nooit zo geweest:
na een en dertig jaar zo klein als een schelp
en zo moe als een oud huis,
waarin spoken tekeer gaan, onvermoeibaar,

Géén schelp, geen huis. Wel het vluchtend omhulsel
van het sidderende dier, levensgroot verschrikt,
dat mijn naam draagt. Maar de naam liefde?
Zo dikwijls die naam en zo zelden die stilte.

Hans Andreus, uit: In het twee en dertigste jaar,
uit: Zoon van Eros

in al die beweging

Mijn vader 
begon dingen door elkaar te halen       
        bij gebrek aan mensen, gedachten

mijn moeder nam hem in haar armen,
nam de dingen van hem af

toen had hij nog mijn broers,
maar zij groeiden krom en versmolten,
werden één broer van geen enkel belang

toen opende hij zich
en er verschenen olifanten, witte duiven, mieren, irissen
                                                                     in de kieren van zijn verstand,
maar niet voor lang,
mijn moeder deed hem dicht

en het werd koud
en mijn vader was als een lam
                                bij gebrek aan de dood.

 

Toon Tellegen, uit:  Daar zijn woorden voor, een keuze uit de gedichten,
opgenomen in de bloemlezing Je bent mijn liefste woord (Anne Vegter)

een passage

Vanwaar die blauwe plekken op uw armen?
    Daar liggen dikwerf schedels die ik troost

Waartoe die schuimkraag op uw dunne lippen?
   Ik wil alleen door wie verdorst gekust.

Hoezo die huidrits in uw dij en kuitspier?
   Opdat wat brak zwelt ademt en weer slinkt

Waarom hebt u dat masker los gesneden?
   De wangen smachtten naar een koele bries.

Wat maakt uw handschrift grillig en onleesbaar?
   De zinnen die het zwachtelt zijn gewond.

Vanwaar die rode vlekken op uw vingers?
   Dat doet een aardvrucht die te schielijk rijpt.

Welk wonder denkt uw offer aan te richten?
   Een heling die verholen liefde wit.

Piet Gerbrandy, uit: Alles te verbergen / Niets te verbergen
(verzamelbundel Harry Vaandrager)

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑