Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: angst (pagina 1 van 5)

hij kan nu eenmaal niet alles

Van heel ver kom ik vanmorgen, vanuit drie rondes om
een kerk, vanuit de woestijn en veertig dagen

lopen, vallend vanaf een berg, uit zijn armen, ergens waar
ik eerder was, lang niet gezien. Even ook

weet ik niet wie ik onderweg gesproken heb, misschien
heb ik aan een glas geroken en een inhoud tot

me genomen die niet voor mij bestemd was, is het mijn
hoofd dat in het zand rolde. Dat allemaal

nog binnen de tijd; ik sla mijn benen over de rand en sta
in het water, kijk naar de voorbije minuten, tel

de komende, hijs me in mijn houding, het haar hangt
tenslotte aan iets waarin ogen en mond opnieuw

registreren en de handen doen wat ze kunnen: openslaan,
licht beroeren, zacht bewegen, terughalen.

een bijzonder exemplaar

Ik hield het staal aan de ene kant, haar dunne warme
hand aan de andere, mijn ogen op het eindpunt

gericht maar ik zag het gebeuren: hij zou naar beneden
geduwd worden, vallen tussen glas en metaal,

zoals de kat haar staart zou verliezen voordat ik de
schaar zou opbergen, haar haren zou

wegblazen, de zon de bal van vuur die zoekgemaakt
sissend verdween, alles mijn schuld. Haar

hand werd niet klam, het staal werd niet heet, de zwarte
baan werd zand, werd gras, werd stilte, aankomst

werd vertrek, hij schaterde, gooide met zijn linkerhand
het speelgoed op, de poes zou spinnend mijn

benen omcirkelen en dan springend in mijn schoot de
muizen zoeken die telkens terugkwamen.

een hechte verbintenis

Er zijn twee onderwerpen, meent hij, waarover ik
bij uitstek kan schrijven in plaats van

langdurig en bij herhaling ze te benoemen in een
gesprek en het zijn toevallig die thema’s

die hij liever vermijdt, of nee, hij gaat ze niet uit
de weg, ze bestaan heus, maar hij maakt er

iets anders van, eigenlijk hetzelfde als ik maar dan
niet met woorden. Als ik nu hier kijk naar

het beeldmateriaal, en hij daar blijft in mijn poëzie,
dan is dat een nieuwe gesprekskeuze, een

andere invalshoek, jaja. Ik vat het een beetje grimmig
samen, veel binnenrijm maar verder een

uitgezakt broddelwerkje, nou ja, zwijgt hij, je moet
natuurlijk wel je best doen hè

dagelijks

Wie zijn angsten benoemt, verslaat ze dus de minutieuze
beschrijvingen van de spoken, het tijdstip

waarop ze verschenen, de mate van doorzichtigheid, hoe
ze opstegen en rondom zweefden, de adem

benamen, hoe ze giechelden of juist schreeuwden, alles
had de details van een nieuwsgierig kind,

de luisteraar de bezorgde ouder, het gesprek de voorwaarde
tot herstel, samen immers hieven ze het zwaard,

kliefden de witte massa tot flarden damp boven een groen
weiland, waarom dan lag elke keer alleen

hij met zijn neus onder de aarde, knepen de witte vlagen
zijn keel dicht, drukten ze dansend op zijn

altijd aanwezig lijf en werd hij nooit wakker met een moeder
die de lakens schikte en zong, het raam open?

geen hemel, geen God

Bij alles dat ik de volgende uren doe, ben ik doordrongen
van het gemak waarmee, de vanzelfsprekendheid,

de snelheid, de ontmoetingen met de ander, het reizen naar
een vreemde stad, het buiten zijn, het praten.

Er is zon, vogels fluiten, mensen zijn aardig, er ligt niets
in het gras verscholen dan wat plastic, een

hond is langs gekomen, een kind liet een fietsje liggen. Een
halve boterham steekt uit de prullenbak. Er

is vertrek en aankomst, maar bovenal keert men alleen maar
thuis nadat men weggeweest is. Zijn stem

zit in mijn mobiel, hij eindigt vragend vaak, niet dan? Toch
was het nooit een echt verzoek, nou ja,

cakejes misschien voor bij de vergadering en een precies
tijdstip zodat hij de deur los kon draaien.

terwijl ze aan raamkozijnen hangen

Elke keer weer adopteren we ons zelf, nemen onszelf op in
de barmhartige moederschoot nadat we verweesd en

aangeslagen wat zwerven langs de rafelranden van dit bestaan.
We slaan onszelf gade, daar lopen we blootsvoets,

stelen appels van de marktkraam, houden onze hand op, het
haar in klitten, het lijf smoezelig, er is niemand die

zo hard kan rennen als ons. Daarna wassen we onszelf, maken
ijsco’s van schuim waaraan we likken, verkopen

een stralende glimlach, lopen keurig aan de hand en blijven
rustig in eenzelfde pas. Beide personen kennen

wij. Onze verweesde staat geeft ons meer vrijheid, ons niet
aangepast zijn de ultieme vluchtpoging maar

het liefderijk worden opgenomen brengt ons een volle buik,
een soezerige staat van vrede, zolang wij maar de ouder zijn.

honderd keer

Aan het eind van het verhaal vertel ik wat er echt
gebeurde en ik houd de omslag waarop

zijn foto omhoog en langzaam langs hun gezichten.
Het jongetje dat donker en serieus

en met zijn handen voor zich op het schooltafeltje
naar de fotograaf kijkt en daarstraks nog

in een driedelig pak, grijs met smal wit streepje en
voor een rijksdaalder bij de kringloop gekocht,

onherkenbaar voor zijn ouders was, langs ons liep,
trots op de vondst waarmee hij een dag langer,

een dag uitstel verkreeg, daarna zijn hemdsmouwen
opstroopte, nog even keek naar het haar

dat eindelijk groeide, zwart, zoals hij, als kind had
gewenst, en toen de lus aanhaalde, strak

van de bijgeleverde stropdas, oranje gestreept, die
gratis uit de linker jaszak bungelde.

 

(in de voorleesgroep huilt mevrouw B. sowieso elke keer waarna zij mij
bedankt, met twee handen, en zegt zo genoten te hebben)

dat er nog verten lagen

Zoals wij vroeger de dichtregels kozen als vrij onderwerp
voor het verplicht opstel en nu die paar

woorden nemen uit de dag hiervoor en dan verder schrijven,
zo kiest mevrouw B. de opdracht van de dag:

vanuit de Bijbel haalt zij die dingen die ze niet meer goed
beheerst, ongehoorzaam als zij is, en bouwt dan

verweer en constructie, uitleg en genade, moed en uiteraard
vergeving in een afgemeten vorm, een

A-4tje elke dag en meent dat door deze opzet haar ziel eens
weer opstijgen mag. Zoveel verschillen we

niet. Het lam komt voorbij en het eeuwig brandend hellevuur,
het onderweg zijn en het wachten op Hem, de

wonderlijke visvangst en het breken van het brood, de kraaiende
haan en het lopen over water, de gaten in de zij.

waarschuwingen naar haar

Vannacht riep ik om mijn moeder, zelfs om de vader van
mijn kinderen van wie ik de jongste, een baby nog,

zoals altijd in mijn bed legde. Hij rolde zich tegen de kant
maar stond even later op en zocht

het streepje houtskool waarmee ik hier bomen en bloemen
tekende, verstopte zich daartoe achter de

licht wapperende gordijnen voor hoge dunne ramen. We
vonden een koalabeertje dat onder aan een

tafeltje hing, een enorme bij die zoemend in zijn mond
wilde vliegen, toen gilde ik dus. Wakker van

mezelf bedacht ik me dat hij immers weg was maar hoe
mijn mamma mij zou troosten, tot ik zeker wist

dat ook zij allang niet meer bij mij was en een intens verdriet
me achterover deed tuimelen uit een van de vensters.

dat hoofd zoveel hoger dan het onze

We doen precies hetzelfde. Mijn hoofd dan wat lager, mijn
nek voller maar de stappen even snel. Bots

niet tegen ons op. Er komen berichtjes over verwerking, na
een dag al, met een foto als bewijs, waarschuwingen

naar haar waarschijnlijk, ik zie alleen maar vermoeide ogen
en een ontoelaatbaar verdriet. Iets in ons wil

nooit toegeven. Het is altijd ’s nachts dat ik wakker scheld,
met uitgespreide handen niemand vind, een

kreukel in het laken, ongestreken dat verleden, slechts in
vileine bewoordingen opnieuw gestrekt. Het

is altijd in de ochtend dat we opnieuw beginnen, omhoog
klimmen en de zon bevestigen. Had je nu al eens,

vraagt hij, muziek gedraaid maar na twee nummers rolde
mijn hoofd voor zijn voeten dus nee, ik kijk wel uit.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑