Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: angst (pagina 1 van 4)

omdat wij allen ontbreken

Hoe het zwart langzaam voorbijtrekt, uit elkaar schuift,
in flarden spookachtig scheurt, nog wat

speelt met de resterende bomen, schoorstenen, daken,
omlaag valt tussen de mensen, dingen, auto’s,

de straat bedekt, het vieze wit aan elkaar rijgt, bedekt
en dan weer vergroot, worstelt met

betekenis en herkomst en nooit helemaal verdwijnt maar
zich nestelt in het schuurtje van de buurman die

daarin het konijn bewaart en de vuurpijlen voor het grote
einde en de jurk van zijn moeder waarin

drie nog botte messen die alles zullen uitstellen, tergend
langzaam tot, en in het verfblik met het

restje weed, vroegtijdig gevonden door het roepend kind,
‘Witje, witje’, dat voor het echte feest had moeten zorgen.

ze wordt meisje genoemd

Hij leest me bij voorkeur ’s nachts, dat komt gewoon
omdat er niemand naast hem ligt die zo

mooi voorleest als ik dat deed zodat hij opnieuw wakker
blijft en gerustgesteld moet, niet dat

ik dat vervolgens doe, ik kijk hem prangend aan, plaag
met mijn inhoud en maak hem onzeker,

ik ben ook lang zo warm niet als toen ik daar lag en
nog steeds ben ik niet terug en er is niemand

die net zo rustig en vaak haar armen om hem heen slaat
en fluistert in zijn oren. In de nacht telt

niemand voor hem af wanneer het feest nu eindelijk
begint, het donkere gegiechel komt van

spoken die, leuk geprobeerd, hun verhalen braken en
hem zeggen te kennen terwijl ze hem smoren.

de tijden waarop zij schrijven

Roepen wil ik dat het ook niet te begrijpen is, dat
we heel anders leven of denken, dat er niets

uit te leggen valt, dat het mijn registreren is, dat er
nu eenmaal niet over de inhoud noch over

de vorm gesproken hoeft, dat het slechts, maar deze
bezoeker houdt aan, heeft zijn vellen

over de tafel gebogen alsof hij mij dubbelgevouwen
voor zich legt en langzaam weer terug in

een schikkelijke en waarschijnlijk aantrekkelijke pose
terwijl ik van de plek rol en stuiter tegen

mijn wanden en de grond meeneem en wijs nog naar
buiten: kijk dan hoe de bomen zich

zwart aftekenen tegen de hemel, hoor dan hoe zij
kreunen, zie dan hoe de beesten schuilen.

bedrieglijk de stilte

In de gedeelde wereld lijkt het nog een leuk bericht,
iedereen reageert enthousiast, wenst hem

veel plezier, vraagt geen details maar neemt aan dat
alles is volgens wens en plan en wat

zij doet, nou ja, behalve eenzaam zijn, gaat niemand
iets aan. Hoe kleiner het scherm, hoe groter

het verhaal, hij wilde niet echt maar kon niet weigeren,
zij moppert en dreigt, misschien is ze wel

voorgoed vertrokken als hij terugkomt, zouden we niet
maar we zullen niets, veel plezier zeg ik ook

en alles is toch naar jouw idee, nee, zegt hij en dan is
alleen het aantal kilometers verhoogd tot een

onneembaar aantal, hij ligt gewoon ter linkerzij, ik kan
hem voelen als ik mijn best doe, ik doe altijd mijn best.

het getrommel op haar lijf

Er zouden tien mensen op tien verschillende wijzen
omgebracht worden en omdat ik de tiende

was, zag ik de negen andere manieren zonder te weten
hoe mijn einde zou zijn. Gebruik je fantasie

ergens anders voor, zou hij zeggen, maar ik riep om
mijn moeder, ik riep hartverscheurend om

mijn moeder. Ik vluchtte en kwam terecht in de stad
waar mijn kinderen ooit woonden, klauterde

tussen de spijlen van een groen hek, kwam op een veld
met wit uitgeslagen patronen, stal een fiets en

probeerde het station te vinden, sliep later in een bed
waarin ik verstikt raakte in de lakens. Ik

kwam niet thuis. Wakker deed ik de balkondeur open
en verzon hoe ik zweefde naar omlaag.

het vacuüm

Katachtige bewegingen in mijn rechterooghoek, wind die
aanzwelt en de vlek nog zwarter maakt, de

stem alsof hij me gisteren wekte nog, straks ploft hij met
een vanzelfsprekendheid bovenop mijn

slapend lijf. Ik blijf wakker, sluit mijn deuren, spreek alleen
met het blozend kind overzee dat ‘auto’

zegt en het voertuig me aanwijst, onder zijn voeten het
uitgevouwen boek, hij reikt me zijn

armen, meer kan ik niet dragen. Zijn moeder krult op de
grond in een wintertrui, haar lange vingers om

een warme mok. Ik heb het haar niet verteld. Het licht uit
het scherm vervaagt al het andere. Later

is ze in miniformaat nog even terug in verkleedkleren en
danst, de wereld weer ontsloten en hanteerbaar.

tot elkaar veroordeeld

Als ik in het ouderlijk huis de sleutels draai in alle
deuren, is er zoals in elke droom aan

de andere kant een figuur die bijna eerder trekt aan
de deurknop en binnendringen wil zoals

er beweging is in de struiken en de bomen buigen
alsof het voortdurend stormt en het fruit

verrot op de velden ligt, dan ga ik van achteren naar
voren en kom langs haar kwetsbare zijde

waar ik de garagedeur wijd open vind, mijn vader
in overal en op klompen sleutelt aan een

zwarte Volvo-sport, nu met racenummer, en mijn
grootvader op het tegelplein staat met de

armen in de zij en weet ik niet of dit geruststellend
dan wel verontrustend is, zij wel.

de grote-mensen-wereld

In de nacht til ik mijn jongste uit dit geopende raam, ik
zie zijn verschoten te grote broek, het grijze

lievelingsshirt, het gezichtje nog zonder bril, de ogen zo
onbegrijpelijk groot, en leg hem op de rode

bank die dwars in ons waterhuis staat. Hij vertelt hoe er
afgesproken is te betalen voor elke keer dat

er ruzie is, zijn zusje knikt, spelend verderop, en ik gil
dat er helemaal geen ruzie hoeft te zijn en ik

hoor mezelf en dan verzint hij een verhaal om mij af te
leiden, zoals hij dat altijd deed, hij zegt

dat ze, en hij wacht even, hem in elkaar hebben geschopt,
maar zijn ongeschonden lijfje is dat van

een vredestichter en er is helemaal niets gebeurd dus trek
ik hem bovenop me en slaap en droom over niets.

schaterend over een vergrijp

Op het water staat een legertruck met Duits kenteken. De weg
is even winters en stil als uit mijn jeugd. De witte

kattenrug wordt bestuurd door mijn laatste lief, ik zit op de
achterbank en leun met mijn armen over de

stoelen en kijk naar rechts terwijl links zich schoten vormen.
Ik probeer het gesprek gaande te houden maar

hij antwoordt niet meer en als ik mijn hoofd draai, zie ik dat
hij geraakt is en niet meer leeft. Ik klim over

de stoelen, duw hem opzij, probeer me te herinneren hoe ik
remmen moet, hoor mezelf hardop instructies geven,

rijd de auto op een parkeerplaats en val uit de deur. Al die
tijd heeft hij zijn ogen open. Misselijk blijft

de slaap weg, de buurman schreeuwt, kou trekt door het open
raam en dan die licht zilveren bevroren plas water

waarboven in de ochtend zich rood de warmte laat vallen en
het vertrouwde motorgeluid van een Volvo.

zij telt tot honderd

Dit waken dat ik doe, dit vragen om bescherming, een
goed teken, dit al mijn geliefden opnemen in

een vaderlijk gebaar, dit oude gebed dat ik nog altijd als
mantra gebruik, het kleine scherm

open naast me, ja mam, we zijn oké, een hart dat bonst en
rood oplicht terwijl het mijne in mijn keel en

in mijn buik doorschijnt. Te denken aan de dagelijkse reis
van huis naar werk, van huis naar school, van

huis naar crèche, van huis naar huis en terug en zelfs de
namen onthoudend van de metrostations,

de wijken, de windrichting, de collega’s, de tijden en dat
op zijn hoogte, ongeveer kruipend en passend

en kraaiend en wijzend, daar komt het licht vandaan, de
enorme knal, het gegil, de vertrappende mens.

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑