Eerst de ochtend waarin de stille stad ontwaakt, de straten wit
uitgeslagen, de staketsels rond de kerk, een

man op een ladder die een lamp terughangt alsof het de maan
is, behoedzaam, ik lachend naar boven, de

hand aan mijn hals waar sjaal en knoop stoeien met vocht en
kou, een graafmachine dwars op de rotonde, een

moeder met lege bakfiets voor een gesloten winkel, altijd heen
dezelfde weg als terug, opnieuw tellen, zien,

grijzend staat hij daar, paaseieren in de aanbieding, hazen zoek,
koffie en croissants in zijn handen, warm,

schuivend op de hoge krukken waarachter oude mannen, ruikend
naar rook en zweet, het lichaam zwaar. Dan

de week en dat hij zijn character into the great falls liet storten
with licking tongues, zodat ik opnieuw lach naar boven.