Ze doet het opnieuw. Als de aanzwellende, gierende en ijzige
wind kruipt ze weer tussen zijn kieren, laat

deuren klapperen, steelt zijn dekens, wipt zijn billen omhoog
en vindt hem bloot, aandoenlijk, gekromd, het

kussen op zijn hoofd, men dient zich te beschermen tegen dat
soort temperaturen, dat soort gedrag, die

wisseling van het seizoen. Blies zij eerst de pluisjes uit zijn
liezen, de krullen van zijn voorhoofd, de

warme zomer over het gladde water, later stoof zij met witte
wasem, vochtige slierten, druppels van

ondoorzichtig glas en strooide zij tere laagjes fijne suiker rond
zijn huizen. Hij moet met luiken in de weer,

kranten tussen de gaten, wollen stroken onder de wand, het hout
verzamelen maar zij is al binnen en raast.