Vannacht kreeg ik een enorm pand cadeau, een simpele en
rechte schoenendoos met kamers op een rij, waarin

een deur en een raam, geen bodem, geen deksel en van een
smerig wit waarop zo fijn Fuck en een omcirkelde

A aan vroeger deden denken. De oude dichter K. was trots
op zijn gift maar ik keerde haar om zodra

hij weg was, er viel een oude muis met stomp gezicht, een
nog oudere kat die vaag leek op de mijne, een

stukje vis en een stukje kip en heel veel stof en kruimels uit.
Vanaf dat moment was de ruimte ondergeschikt aan

de beesten, de muis viel voortdurend, de kat deed geen poging
tot vangen, ik liep weg en elke keer weer

kwam ik beiden tegen. In een echt huis sloot ik de deuren tot
zij zo zielig beiden zich tegen het glas drukten.

Er was geen geluid, er was alleen een jongen die meende dat
de beesten dood zouden gaan als ik niet schreef.