Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Maand: maart 2018 (pagina 1 van 5)

werkend op de akker

Overbodigheden bij die beelden haalt hij weg, rafels
zijn het, afleiding en onzin. Uren schuift hij

zijn vingers langs vissen in het water, zilverachtige
sporen, bloemen in een perkje, een fietser

dwars door de stilte, hij zet de camera opnieuw op
zijn onderwerp scherp. Het lint van

het leven, de ronde om de kerk, haar marmeren dijen.
In een klein doosje verzamelt hij de feiten

vervolgens, als ik nu maar dat doosje zorgvuldig bewaar,
toch zijn zomaar al die gekozen fragmenten

net zo teveel als al die woorden die ik in een papieren
pakje stop. Er zou geluid bij moeten

zitten, hartverscheurend, krijsend, of een jurkje dat mij
helemaal bedekt en een haan op de toren.

de ergste voorjaarstorm

Ze knikken. Ach jawel, ze zien iets aan zijn ogen, bruin,
stelt mevrouw V en meteen situeert ze hem in

warme berglanden en een strooien hoed op, werkend op
de akker, nee, donker, zegt de heer Z. hoewel

ook hij doorgaat met temperaturen boven normaal en het
zware leven van een landbouwer, alleen

mevrouw T., broos en zwijgend vaak tegenover me, werpt
een glanzende blik, legt haar handen voor zich

op tafel en strijkt over boek en ogen en en passant het crème
overhemd en de korte broek eronder, en zegt

‘zo was het dus’ en dat we dat allemaal wel eens hebben,
dat gevoel dat niets ertoe doet en alles verkeerd,

dat wij dat slechts niet opgeschreven hadden en zo prettig
hadden voorgedragen zoals ik nu, toch?

ruimte waarin de lezer zelf zijn weg moet zoeken

 

Ruimte waarin de lezer zelf zijn weg moet zoeken

 

beide personen kennen wij

De uitgever vraagt te kijken naar het herhaaldelijk gebruik
van bepaalde woordjes en het is bijna alsof

opnieuw de lief van koosnaampjes moet worden voorzien,
de vloer moet worden aangeveegd, de

muisjes onder de kast hun kaas lieten staan en de mierentrek,
langs zijn spoorlijn op de vensterbank, voor

een achtergelaten koffer om moet buigen, ook moet ik nog
wat boodschappen doen, mag ik niet

haren en hagelslag op de grond werpen en dienen mijn ogen
niet helemaal naar boven te rollen maar hem

aan te kijken daarbij niet knipperend, flirtend of bezwerend,
slechts in overeenstemming met de tekst waarin

mijn lijf over de vloer zwiept met een ijver die de ergste
voorjaarstorm benadert en dan in december.

terwijl ze aan raamkozijnen hangen

ondertussen in de garage een mollige Mini, Alkmaar, 28 maart 2018

terwijl ze aan raamkozijnen hangen

Elke keer weer adopteren we ons zelf, nemen onszelf op in
de barmhartige moederschoot nadat we verweesd en

aangeslagen wat zwerven langs de rafelranden van dit bestaan.
We slaan onszelf gade, daar lopen we blootsvoets,

stelen appels van de marktkraam, houden onze hand op, het
haar in klitten, het lijf smoezelig, er is niemand die

zo hard kan rennen als ons. Daarna wassen we onszelf, maken
ijsco’s van schuim waaraan we likken, verkopen

een stralende glimlach, lopen keurig aan de hand en blijven
rustig in eenzelfde pas. Beide personen kennen

wij. Onze verweesde staat geeft ons meer vrijheid, ons niet
aangepast zijn de ultieme vluchtpoging maar

het liefderijk worden opgenomen brengt ons een volle buik,
een soezerige staat van vrede, zolang wij maar de ouder zijn.

bijna de kunstenaar

Zo’n dag dat iedereen thuis is, je vermoedt kinderen
spelend op hun kamer terwijl ze aan

raamkozijnen hangen en lakens knopen aan de knop
van de verwarming, er zijn ongekend veel

vriendjes te logeren, de muziek is eigenlijk te luid en
hun spelletjes schetteren maar ach, ze hebben

plezier dus laat je ze, en dan valt er iets om, iemand
uit het venster misschien, er breekt iets, er

gilt wat en voordat je naar boven stuift en bloed ziet,
en passant flessen frisdrank en chips uit

de kast trekt, kijk je nog even om naar het rustig vertrek
dat straks ook slagveld wordt en zucht: zo

is het in dit huis, de buurvrouw bonst, de buurman komt
om drie over zeven klaar, de hond breekt los.

hazen zoek

hazen zoek

De dichter heeft niet het podium nodig, niet het licht waarin
hij staat, niet het klappen van de handen tegenover,

niet de aankondiging waarmee hij grappend struikelt of de
korte buiging waarmee hij eindigt, de dichter

heeft de luisteraar nodig die aan dezelfde tafel zich verder
naar voren strekt en met zijn handen bijna

de kunstenaar voelt, de adem over zijn gezicht, het zweet
uit diens poriën en in eenzelfde beweging

zijn benen over elkaar slaat of balanceert op een voet om
zich dan weer met een ruk om te draaien naar

een bezoeker achter een paal, lamp, barkruk of familielid,
lachend of bijna huilend, ingehouden van herkenning,

pijn, verwondering, en dan hem aankijkend wacht op het
moment dat zijn tekst uit de ogen van de ander spreekt.

 

(bij Reuring breken we tegenwoordig het podium af alvorens
te beginnen; het gaat elke keer weer om de ontmoeting)

onbederfelijk

Eerst de ochtend waarin de stille stad ontwaakt, de straten wit
uitgeslagen, de staketsels rond de kerk, een

man op een ladder die een lamp terughangt alsof het de maan
is, behoedzaam, ik lachend naar boven, de

hand aan mijn hals waar sjaal en knoop stoeien met vocht en
kou, een graafmachine dwars op de rotonde, een

moeder met lege bakfiets voor een gesloten winkel, altijd heen
dezelfde weg als terug, opnieuw tellen, zien,

grijzend staat hij daar, paaseieren in de aanbieding, hazen zoek,
koffie en croissants in zijn handen, warm,

schuivend op de hoge krukken waarachter oude mannen, ruikend
naar rook en zweet, het lichaam zwaar. Dan

de week en dat hij zijn character into the great falls liet storten
with licking tongues, zodat ik opnieuw lach naar boven.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑