Ik heb niets. Geen herenkostuum waarvan de stropdas mij
mijn nek doet breken, geen hoge mannenschoen

waarop ik sneller kan, geen tweede naam die ik met schroom
nog gebruik maar eigenlijk als

eerste wil, geen onafgebroken ijver dat mij tot laat op houdt,
ik heb niet meer de hoge witte wanden waartussen

duistere praktijken als dekmantel fungeerden voor mijn
eenzaamheid en niet langer de bedelende

mamma, niet de pose meer waarin ik wachtte omdat hij zo
dadelijk zou komen, geen dampende stallen

waarbinnen ik het vee moest voeren en dus geen mond waarin
mijn hand verdwijnt. Ik heb mijn vader begraven

en dus verlaten of misschien heeft hij dat zodat ik nu alles
heb waarover ik moet schrijven maar niet doe.