Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Datum: 31 januari 2018

daarboven ergens moet ik zijn

En daar liggen we dan nu
en praten ergens over,
geeft niet waarover.
Omdat je alles van me weten wil,
in elk geval meer dan tot nu toe
wie ook ter wereld,
en liefst wat niemand anders weet,
vraag je: wat is poëzie,
misschien wel eigenlijk alles?

Misschien wel. Ik geef een voorbeeld.

Boven je keukentafeltje hangt
een grote plaat: vogels
die je haast niet meer te zien krijgt
in de natuur.
De grote stern in zomerkleed grijswit
de bonte strandloper
de steenloper bruin in vlucht
de kleine jager
de zilvermeeuw de mantelmeeuw –
het zijn onze levende zielen,
stoten en vlagen van de wind
trotserend, heen en weer
tussen de branding
en de schamele duinkust.

Je bent niet overtuigd. Dus vraag je verder:
hoe echt meent de dichter zijn woorden?
Koortsachtig bedenk ik een uitweg.

Dat afgetakeld karkas daar
van een schoener, dat onze boulevard
ontsiert, dat daar ligt
als een voorbije wereld –
of zoiets nutteloos: wil jij dat?
De dichter wel.
Hij sloopt er een plank uit,
hij gooit die plank in zee
voor de drenkeling die hij gedroomd heeft.
Hij krast in de planken
wat woorden, een straatnaam,
anders gezegd:
de dichter overnacht op het water –

jouw straatnaam? (vraag je) en nummer?
briefje aan de bel ‘welkom,
sleutel bij de buren’,
dan na dagen kom je van de reis
thuis, kleine jager, en wat zie je?
je boekenkast omgevallen,
de ijskast leeg, kandelaars gestolen,
je dwaalt door je kamers als een late
voortzwoegende mug,
anders gezegd:
je overnacht die nacht op het water –
is dat poëzie?

Misschien moet ik ooit de zee op,
bij nacht, bij vloed, niet de zee van Saint Clair
maar de zwarte. Omdat mijn dochtertje
dood wil – wie dood wil moet mogen,
maar zij schreeuwt als een meeuw,
ze weet niet meer wat ze wil, denk ik –
ze werd van de boulevard af het strand
opgesleurd, bleef met haar oorbel
hangen aan de bajonet van een spuiter –
ik laat mijn verbeelding en bijna
mijn tranen de vrije loop.

Je moet geen gedichten maken (zeg je)
die iemand pijn doen,
iemand die van je houdt of hield
en nog leeft,

poëzie mag nooit pijn doen.

Huub Oosterhuis, Gedroomde god (10)
vandaag in gesprek voor Meander met Oosterhuis
komen we toch in de Rode Hoed al is het niet als winnaar van een Turing

daarboven ergens moet ik zijn

Dubbelgevouwen grijnst de worsteling me aan, voordat ik
haar platstrijk en in vieren deel en keurig

in getypte zinnen kopieer en dan weer terugzet in de kast
waar de lengte van de rij en de zwaarte van

het verleden haar weer ineendrukt en in het geheel niet meer
doet opvallen. Daarvoor is er het lezen en

de handeling van het omslaan, weer terugslaan en vastzetten
wat toen in haast gebeurde, ik zie het mezelf doen:

voorovergebogen en slordig, tussendoor of wachtend op, de
weerschijn van het alles in ruit of tafelblad,

kind of liefje, de benen ongeduldig, stampend ook en de haren
in mond of ogen. Dat ik toen niet wist hoe ik

later veertien regels zou maken vanuit die chaos, alleen het
vreugdevuur zag waarmee ik alles teniet zou doen.

 

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑