Het meisje tegenover mij dat zich net zo vlijt tegen de zijkant
van het raam waar witte waas het zicht ontneemt,

aan haar haren trekt en ze schikt en weer haar ogen dichtdoet,
kleine streepjes groen op de melkwitte huid,

de mond een kleine ode, de handen om de mobiel geklemd of
weer in de rode stroom over hoofd en schouders en

langs haar borst, kijkt pas op als de trein voor de vijfde keer
stopt, we allebei onze jassen dichtknopen,

gapen, lachen. Zij zegt sorry voor dat aanstekelijk grimassen,
ik zeg hoe mooi haar kleur haar is en dat ze

dat nooit moet veranderen. Ze bedankt me, wenst me een fijne
dag, ik doe hetzelfde. Alsof ook ik dan pas

opkijk en mezelf zie. We lossen op in de massa, waaieren uit,
lichten op zolang het duurt, de mist scheurt.