Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Maand: januari 2018 (pagina 1 van 5)

daarboven ergens moet ik zijn

En daar liggen we dan nu
en praten ergens over,
geeft niet waarover.
Omdat je alles van me weten wil,
in elk geval meer dan tot nu toe
wie ook ter wereld,
en liefst wat niemand anders weet,
vraag je: wat is poëzie,
misschien wel eigenlijk alles?

Misschien wel. Ik geef een voorbeeld.

Boven je keukentafeltje hangt
een grote plaat: vogels
die je haast niet meer te zien krijgt
in de natuur.
De grote stern in zomerkleed grijswit
de bonte strandloper
de steenloper bruin in vlucht
de kleine jager
de zilvermeeuw de mantelmeeuw –
het zijn onze levende zielen,
stoten en vlagen van de wind
trotserend, heen en weer
tussen de branding
en de schamele duinkust.

Je bent niet overtuigd. Dus vraag je verder:
hoe echt meent de dichter zijn woorden?
Koortsachtig bedenk ik een uitweg.

Dat afgetakeld karkas daar
van een schoener, dat onze boulevard
ontsiert, dat daar ligt
als een voorbije wereld –
of zoiets nutteloos: wil jij dat?
De dichter wel.
Hij sloopt er een plank uit,
hij gooit die plank in zee
voor de drenkeling die hij gedroomd heeft.
Hij krast in de planken
wat woorden, een straatnaam,
anders gezegd:
de dichter overnacht op het water –

jouw straatnaam? (vraag je) en nummer?
briefje aan de bel ‘welkom,
sleutel bij de buren’,
dan na dagen kom je van de reis
thuis, kleine jager, en wat zie je?
je boekenkast omgevallen,
de ijskast leeg, kandelaars gestolen,
je dwaalt door je kamers als een late
voortzwoegende mug,
anders gezegd:
je overnacht die nacht op het water –
is dat poëzie?

Misschien moet ik ooit de zee op,
bij nacht, bij vloed, niet de zee van Saint Clair
maar de zwarte. Omdat mijn dochtertje
dood wil – wie dood wil moet mogen,
maar zij schreeuwt als een meeuw,
ze weet niet meer wat ze wil, denk ik –
ze werd van de boulevard af het strand
opgesleurd, bleef met haar oorbel
hangen aan de bajonet van een spuiter –
ik laat mijn verbeelding en bijna
mijn tranen de vrije loop.

Je moet geen gedichten maken (zeg je)
die iemand pijn doen,
iemand die van je houdt of hield
en nog leeft,

poëzie mag nooit pijn doen.

Huub Oosterhuis, Gedroomde god (10)
vandaag in gesprek voor Meander met Oosterhuis
komen we toch in de Rode Hoed al is het niet als winnaar van een Turing

daarboven ergens moet ik zijn

Dubbelgevouwen grijnst de worsteling me aan, voordat ik
haar platstrijk en in vieren deel en keurig

in getypte zinnen kopieer en dan weer terugzet in de kast
waar de lengte van de rij en de zwaarte van

het verleden haar weer ineendrukt en in het geheel niet meer
doet opvallen. Daarvoor is er het lezen en

de handeling van het omslaan, weer terugslaan en vastzetten
wat toen in haast gebeurde, ik zie het mezelf doen:

voorovergebogen en slordig, tussendoor of wachtend op, de
weerschijn van het alles in ruit of tafelblad,

kind of liefje, de benen ongeduldig, stampend ook en de haren
in mond of ogen. Dat ik toen niet wist hoe ik

later veertien regels zou maken vanuit die chaos, alleen het
vreugdevuur zag waarmee ik alles teniet zou doen.

 

de vage betrekkingen

Vertrekken die wanden kennen die eigenlijk deuren zijn,
je gewicht vertrouwen en dan opengaan, tussen

kantoormachines uit een vorige eeuw, prullenbakken met
weggesmeten proppen papier, mannen in

pak die als etalagepoppen de weg versperren, een plastic
zak die langzaam gevuld wordt met

warme weke pasta. Daarboven ergens moet ik zijn, ik ben
te laat voor een afspraak, waarschijnlijk ook

vreselijk bloot. Als mijn vader mij eindelijk leest, zegt hij
dat alles verzonnen is. Dat is als

ik op tijd boven kom en aanschuif en een keurig jurkje blijk
te dragen. Naast hem hangt de bankbediende die

ik ooit omverliep met administratie en al, de draaideur stremde,
op de grond een hond zo groot als het vloerkleed.

met lichte buiging

Alsof ik weer, door hem meegenomen, kennismaak met de
andere wereld, de echte, zal hij zeggen en mij

aan mijn hand voorttrekkend, voorstelt en dan vergeet en ik
aan de rand van het geheel blijf staan, me zo

anders voel en niet mag zeuren maar mijn bezittingen tel en
mijn werkzaamheden, mijn ouders zie en

de landerijen rondom terwijl ik het geneuzel hoor en alvast
opschrijf wat het verschil is tussen

zijn acterende vrienden, zijn bijna maar niet echte vrienden,
zijn musicerende vrienden, zijn vrolijke vrienden

ook, zijn gemakkelijke vrienden die nooit twijfelen aan de
zin of hun rol terwijl ik aftel en vanachter

mijn gekozen afstand ook nu weer de groep hekel en geen
enkele gemeenschappelijke deler ervaar of het

moet de leeftijd zijn, de vage betrekkingen tussen ons, het
hebben van nazaten die ooit eens hetzelfde zeggen.

dat aanstekelijk grimassen

Het spreekt voor zich.
Hoe distels over paarden praten.
Wat ongebleekte katoen de maan te zeggen heeft.
Het is me helder.

Echter.
Wat zou een potlood aan de zon willen zeggen.
Wat vraagt de ochtend aan de avond,
als de middag er niet telkens tussen zat.

Wat zou het onderbewuste,
het bewuste willen laten vergeten,
als het niet vergeten was, hoe vergeten ging.

Waar zouden schaamte en dauw
elkaar willen ontmoeten.
Waar ligt het breekpunt van een kindertraan.

Wat zou liefde lust willen vergeven
als alle vragen niet zouden worden verzwegen.
Waarover oreren het onbekende en onbegonnen werk
na hun tweede Tinder-date.

Wat vraagt het knoopsgat aan de container,
het priemgetal aan het breekijzer en
de volgesneeuwde fietstas aan de wereld.

Waarover wil het gevoel spreken
als -het vergetene- zichtbaar was.
En wat wil het gesprokene voelen
als het de woorden vinden kon.

Waarom ik het wil weten, ik weet het niet.
Of ik het wil weten, ik heb mijn vermoedens.

Hugo de Haas van Dorsser, Wordbites, De dingen,
uit: Aan alles komt een begin (De ander)

dat aanstekelijk grimassen

Het podium wordt verschoven naar een klein tafeltje voorin
de zaal, het woord wordt verkondigd te midden

van ons, er is geen afstand tussen dichter en publiek en weer
gaat het om de ontmoeting. De stilte van

de een blijft hangen tussen de weigerende lichten van het
theater, de onrust van de ander blijft bij zijn

tafel zitten, de inhoud van het glas golft een weinig over de
rand, voor zich uitgestald de bewijzen van. De

derde geeft aan, snedige opmerkingen uit het verband gehaald,
lichte gene voor het verzuim van de wereld,

opperste concentratie, gepaste dank, adoptie van een, twee
nieuwe familieleden, zoekend als altijd naar

dat wat past. Zij overweegt een hoed aan te schaffen en dan
met lichte buiging haar inhoud te verliezen.

 

“bij elke activiteit ging het om de ontmoeting”
(Reuring was een intiem genoegen gisteren)

ondertussen schrijft zij

Het meisje tegenover mij dat zich net zo vlijt tegen de zijkant
van het raam waar witte waas het zicht ontneemt,

aan haar haren trekt en ze schikt en weer haar ogen dichtdoet,
kleine streepjes groen op de melkwitte huid,

de mond een kleine ode, de handen om de mobiel geklemd of
weer in de rode stroom over hoofd en schouders en

langs haar borst, kijkt pas op als de trein voor de vijfde keer
stopt, we allebei onze jassen dichtknopen,

gapen, lachen. Zij zegt sorry voor dat aanstekelijk grimassen,
ik zeg hoe mooi haar kleur haar is en dat ze

dat nooit moet veranderen. Ze bedankt me, wenst me een fijne
dag, ik doe hetzelfde. Alsof ook ik dan pas

opkijk en mezelf zie. We lossen op in de massa, waaieren uit,
lichten op zolang het duurt, de mist scheurt.

ze wijst naar de stand van de maan

Soms op de tast, zoals je een kamer verkent die nog niet
de jouwe is, je hand langs het ruwe

oppervlak, voeten schuifelend, struikelend half over, ogen
die nauwgezet proberen te onderscheiden, vaak

trefzeker, het lijf valt nog op dezelfde wijze, de ledematen
wijken, de hand stuurt, de warmte sist.

De indeling is ongewijzigd, de volgorde ook, er mist een
detail misschien, een lichtknopje op

een andere hoogte, een raam open, een andere kleur op
zijn wangen, een verschoten hoesje over, een

kat krabt. Ondertussen schrijft zij en leest hij alles, nou ja,
niets van thuiskomen of het uitstel van vertrek,

de verkoopwaarde van het geheel of de smalle weg waarlangs,
maar de gretigheid waarmee zij hem binnenhaalt.

zoiets misschien

“gangen in een huis waar je doorheen dwaalt, schimmen van haar jurkje dat om de hoek verdwijnt, het bodemloos kil verschieten van haar kleur, het roepen van het kind dat haar niet bereikt“
foto’s 2012, 2014, 2017

zoiets misschien

Verdriet hoort bij de nacht, bij het vruchteloos zoeken naar
het beeld dat je daarvoor nog droomde, gangen

in een huis waar je doorheen dwaalt, schimmen van haar
jurkje dat om de hoek verdwijnt, het

bodemloos kil verschieten van haar kleur, het roepen van
het kind dat haar niet bereikt, mijn mamma

vliegt. Verdriet hoort bij de eerste uren van de ochtend, het
zwart dat op je drukt, het ruiken van haar

eau-de-cologne, ze heeft het zakdoekje in vieren gevouwen
en nog op mijn voorhoofd gelegd, het

murmelen van haar taal terwijl ik haar wat wilde zeggen en
zij mij nooit meer zou verstaan, haar vinger

priemt nog in mijn lucht, ze wijst naar de stand van de maan,
zij voorspelt mij het weer en haar dagen.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑