Zodra hij weg is en met rode wangen uitgezwaaid, het
geluid van de knarsende wielen en mijn

gebrom, toettoet en haarspeldbocht om lantaarnpaal en
mamma, mijn door de wind afgesneden

adem zich hervat en ik bewuster dan ooit en vol terug
loop, bijna alsof ik hem onzichtbaar draag nu en

op mijn schouders hoog boven de massa uit, wil ik alleen
maar dat hij terugkeert en blijft. Dit herhaalt

zich steeds, oom D. stuurt een filmpje van een kind op een
trekker, een kind op een glijbaan, een kind

dat de armen in de lucht steekt bij een liedje. Daarna
speel ik weer, auto, koe, het leven, mijn

handen op elkaar, grijnst hij en loopt hij op me af, o om
voor altijd thuis te komen bij elkaar.