Dit keer gaat het niet over ontbrekend rijm of missend
begrip, dit keer hoef ik niets uit te leggen of

te verantwoorden, maar ook nu spreekt hij me tegen. Hij
benadrukt de kracht van het woord terwijl ik

wil ontkennen, ik ben te snel, zeg ik en te makkelijk en
misschien bedoel ik wel iets heel anders.

Eigenlijk wil ik er vanaf: van dat woord en die betekenis
omdat de gevolgen me niet aanstaan en zeker

niet dat dubbelvouwen opnieuw op mijn tafel terwijl ik
de randen dan nog vasthoud, dat likken aan

mijn inkt, dat peuteren aan mijn ezelsoren, dat tussen
mijn regels door, maar opeens kent hij me

lang genoeg om te weten dat mijn hand zich vanzelf weer
bekommert om die inhoud van mij.