Ik schreef voor een dichter zijn werk over met
onzichtbare inkt, er vormden zich bobbels

op het papier alsof ik figuren overtrok die daarna
geraden moesten worden en een nieuw

spel vormden, het afgescheurde stukje kwam uit
een multomap die open noch dicht

wilde en daarna fietsten wij naar een overvol park
waar in een ondergronds toilet tien tot

vijftien euro betaald moest worden voor een plas.
Hij zou gaan voorlezen maar het vers

haperde, mijn fiets raakte kwijt en ook de dichter.
Ik noem geen namen maar zijn roem

taande na die keer. Het was ook een plek van niets
en een erg sacherijnige toiletjuffrouw.