Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Maand: december 2017 (pagina 1 van 4)

de voorraden in de schuur

de voorraden in de schuur

De wereld nog veilig met vlagen woedend zwart die langzaam
uitscheuren in grijze banen, huizen nog

staande gehouden door wapperende kerstlichtjes, dromende
tieners over nog niet afgestoken vuurpijlen, op

de lege straat de afgedankte kerstbomen, de uitgerukte engeltjes
in de doos op zolder reeds, een vogel die

nog zingt alsof het nieuwe jaar alvast begonnen is lang voor het
land rood kleurt, stinkend en hij en ik, brommend en

toeterend, langs het stuwende water waarin eenden, meent hij,
op haastige wielen die draaien met de stappen die ik

maak en daarachter de ratelende mamma die ik nog even hoog
til op het lege stationsplein, de klok die

stilstaat, dan zien we elkaar in de lente weer, niet omkijken maar
met de handen diep in de zakken de tegels tellen tot thuis.

 

op mijn schouders hoog

Als liefde alleen nog maar in het hoofd huist en niet langer in
de toppen van de tenen, onder de dansende voeten

en aan de uiteinden van je open handen, als eindelijk je armen
zich gesloten hebben om dat wat alleen en achter-

bleef, je benen afleerden zich automatisch te openen en niemand
meer je rug ziet, en als eindelijk dan, het

hart weer past in de daarvoor bestemde ruimte, alle te vertellen
verhalen teruggekeerd in het boek, de haren

niet meer slepend over de grond, de kleren niet meer gescheurd,
eerst dan is heimwee een toegestane hoeveelheid

klein persoonlijk leed dat volgens berekening en logica twee
nummers lang duurt en past tussen ‘jauchzet,

frohlocket’ en het ‘erbarme mich‘ zoals zij eens paste tussen
zomer en winter en de voorraden in de schuur.

wat er veranderd moest

Zodra hij weg is en met rode wangen uitgezwaaid, het
geluid van de knarsende wielen en mijn

gebrom, toettoet en haarspeldbocht om lantaarnpaal en
mamma, mijn door de wind afgesneden

adem zich hervat en ik bewuster dan ooit en vol terug
loop, bijna alsof ik hem onzichtbaar draag nu en

op mijn schouders hoog boven de massa uit, wil ik alleen
maar dat hij terugkeert en blijft. Dit herhaalt

zich steeds, oom D. stuurt een filmpje van een kind op een
trekker, een kind op een glijbaan, een kind

dat de armen in de lucht steekt bij een liedje. Daarna
speel ik weer, auto, koe, het leven, mijn

handen op elkaar, grijnst hij en loopt hij op me af, o om
voor altijd thuis te komen bij elkaar.

zijn rol in de geschiedenis

Er is een wijziging die ik nog moet doorvoeren, een stapel
prints ligt op een tafel klaar waar de bundel, met ringbandje,
nog van voorzien moet worden en er is

weinig tijd, het publiek zal zich zo verschansen in het pand
waar ik kunst en kinderen combineer aan dezelfde tafel en
enorme voorraden boeken, eten, katten,

speelgoed, tassen, vuilniszakken op de grond rondom; ik
verbeeld me dat de mensen al door de ramen gluren en tegen
het glas leunen en straks gewoon naar

binnen zullen vallen en ik zal nooit op tijd klaar zijn, erger
nog, ik weet niet eens wat er veranderd moest, is het wel
nodig deze ongerustheid te voelen, ben ik niet

altijd foutloos en correct en bovendien, maakt het iets uit?
De kinderen stellen gerust, als altijd, en ik begin het huis
op te ruimen in plaats van de woorden en

voordat ik de deur openzet, zie ik jonge katjes in de hoek
van de kamer en schimmel op de rugzak die ik vroeger op
de schouders hees met het werk van toen.

en tijd niet meer bestaat

Alkmaar, 25 december 2017

 

de knielende positie

Als alles dat groen is en groeit ‘boom’ heet en de laatste
blaadjes daarbinnen vogels lijken, de lichten

buiten het kerstsnoer vormen en aaneengeregen altijd
aan blijven, de beesten daaronder allemaal

ezel, koe en schaapje zijn en het kind kraaiend zijn rol
in de geschiedenis op zich neemt en de

mijne herhaalt en tijd niet meer bestaat dan in de stramheid
van mijn duwende ledematen of in de

wirwar van mijn zilver haar, de lengte van mijn geliefden
of de snelheid waarmee ze mij aanvullen en

zacht langs de route staan, dan is de bedoeling duidelijker
dan ooit en desalniettemin even afwezig:

dat je hier was en bij mij en je ogen straalden en je mond
een rondje vormde en bovenop de mijne plakten.

op gelijke hoogte

In slaap te vallen met hun geluiden die door het tochtig
trapgat naar boven dwarrelen als wensballonnen die

met opgetogen gezichten opgelaten worden boven al die
dagelijkse beslommeringen, stemmen die

fluisteren vanaf het moment dat zijn ademhaling rustig
wordt en hij mijn hand loslaat en ik

de knielende positie verruil voor hoog op de tenen sluipend,
thee in zacht rinkelende kommen op schoot, weet

je nog dat ik alle dingen in mijn kamer met garen aan elkaar
verbond, zegt zij, en ik, weet je nog hoe ik zei dat

je nooit meer alleen zou zijn, en dan, heb ik al die draadjes
doorgeknipt eigenlijk, en te rusten in die

veilige wetenschap voor altijd daar te zijn, vastgeknoopt
met strikjes op de uiteinden van mijn bestaan.

de kersttruien uit het overzeese land

Tien dagen lang struikel ik hier over luier en rugzak, wagen en
verongelukt autootje bij de stoelpoot, beer en

nijlpaard, tuimelbekertjes met inhoud, heel kleine gympies en
dan midden in de kamer of loop ik op tenen

mijn ritme verschuivend en denk op de harde slaapbank op
zolder niet aan muizen, lijken of

andere monsters die in mijn neus knijpen maar alleen aan hem
en hoe het zover gekomen is dat ik zoals mijn

moeder op de grond tegen de verwarming hurk, op gelijke hoogte
communiceer, bij elke hoek uitleg gevend aan de

attributen. Mijn vader praatte met volle mond en stoof als ervaren
coureur de vrijheid tegemoet en nam

alle wagens in één keer, al was het moeilijk opstaan nadien en
een beetje verontrustend dat niets heel bleef.

met uitzicht op dezelfde lucht

Steeds meer herinneringen komen aan dezelfde tafel naar
boven, zij blijken straten, steden en gewoonten

te hebben gedeeld en nu kerstpakketten, kamerindeling en
vermaak op het oudejaar, dood en rolstoelgebruik,

kind en hond, en ik lijk even oud, een van hen, en laat de
geiten uit de achtertuin, mijn vader, mijn

dromende zoon, de boeken uit mijn kast en de kersttruien
uit het overzeese land los, dan op weg naar

huis of in de nacht veelal weet ik niet meer wie ik ben, hoe
lang ik hier al ben, ontsnapt misschien uit

het instituut met de weeë geur en de overdadige kerstslingers
met vingers die knijpen in zachte schouders en

koekjes die in vrolijke vaart net voor de tafelrand in onze
open monden verdwijnen, het boek onder de arm.

 

(wij lazen gisteren een kerstsprookje voor van Godfried Bomans
uit 1946 en nog wat versjes van Annie MG Schmidt over kerstmannen
en dachten aan de plezierige stem en het nette uiterlijk van de eerste)

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑