Hij leest me bij voorkeur ’s nachts, dat komt gewoon
omdat er niemand naast hem ligt die zo

mooi voorleest als ik dat deed zodat hij opnieuw wakker
blijft en gerustgesteld moet, niet dat

ik dat vervolgens doe, ik kijk hem prangend aan, plaag
met mijn inhoud en maak hem onzeker,

ik ben ook lang zo warm niet als toen ik daar lag en
nog steeds ben ik niet terug en er is niemand

die net zo rustig en vaak haar armen om hem heen slaat
en fluistert in zijn oren. In de nacht telt

niemand voor hem af wanneer het feest nu eindelijk
begint, het donkere gegiechel komt van

spoken die, leuk geprobeerd, hun verhalen braken en
hem zeggen te kennen terwijl ze hem smoren.