Mevrouw X. houdt van vaste gewoonten, ze zit opnieuw
vlak naast mij en ze is als eerste zodat

haar rollator zijn vaste plek heeft en ze al een tweede kopje
thee heeft alvorens de anderen binnenrollen.

Vandaag zijn ze allemaal te laat, het begon toch pas tegen
drie en mevrouw P. kijkt hoogrood en stralend

mij aan en vraagt of ik weet wat ze nog even deden, ze
leunt tegen haar vriend die altijd met zijn bril

scheef en zijn hoofd scheef reuze onhandig lijkt maar het
misschien niet is, de heren Z. en W. zijn

boos en herhalen elkaar de dood en ziekte van hun vrouw
terwijl de een nog leeft en de ander tegenover

hun zit, hoe was mijn naam ook weer en wat kwam ik doen
maar zodra ik lees horen ze me, ach ja, vroeger!

Mijn vader verzon wel eens een passage, zegt mevrouw W.
en ik sloeg soms wat over, ik ook, zeg ik.