Om even terug te zijn in het leer van hun banken, het
pluche van hun kleden, het donkere hout

van de zorgvuldig gekozen entourage, staketsels in een
warme kamer waar zij met gevulde schalen

rondliep en zelden zitten ging, zijn boeken en kranten
op het mosgroene leer van zijn bureau, haar

breiwerk in de rieten manden onder de keurig ingedeelde
schoorsteenmantel, elk kind in evenredige

getale vertegenwoordigd, om terug te zijn bij de koele
tegels van de keuken waartegen mijn wang

in onweersbuien die heviger dan elders koeien en wilgen
raakten en dan vooral in hun geruststelling:

daar waar zij de stand van de maan hanteerde en hij zijn
perfect nonchalance groeide ik groter.