Katachtige bewegingen in mijn rechterooghoek, wind die
aanzwelt en de vlek nog zwarter maakt, de

stem alsof hij me gisteren wekte nog, straks ploft hij met
een vanzelfsprekendheid bovenop mijn

slapend lijf. Ik blijf wakker, sluit mijn deuren, spreek alleen
met het blozend kind overzee dat ‘auto’

zegt en het voertuig me aanwijst, onder zijn voeten het
uitgevouwen boek, hij reikt me zijn

armen, meer kan ik niet dragen. Zijn moeder krult op de
grond in een wintertrui, haar lange vingers om

een warme mok. Ik heb het haar niet verteld. Het licht uit
het scherm vervaagt al het andere. Later

is ze in miniformaat nog even terug in verkleedkleren en
danst, de wereld weer ontsloten en hanteerbaar.