Ik droomde in kleur. Er verscheen een blauwe vlek
met witte randen als cartoon in mijn werk,

een ster die bij goed gedrag uitgedeeld zou worden,
vermoed ik, een wolk ook die hemels

uit zou dijen en tot olifant geblazen zou wegwaaien,
ik werd uit een kelderraam gehesen,

daar liep de oude schrijver wiens manuscripten ik had
uitgetikt, een kind of drie, mijn

broertje die alleen even met zijn hoofd knikte, opeens
ook de ruimte die ontstond in mijn lijf

en om me heen, schragen vol eten, langslopend publiek,
boeken die als torens oprezen en vanuit

de diepte als emmertjes water bij een brandje, aan elkaar
door werden gegeven tot ze mij omringden.