Ze had misschien hetzelfde doel gehad eens, dezelfde
ijver, dezelfde blos op haar wangen, ze

was misschien ook wel elke ochtend begonnen met deze
oefening terwijl haar vriendinnen haar

uitlachten om het vermeende nut, haar wens, haar beeld
van de toekomst en zelfs nu

leek ze een beetje op degene die ik zo goed ken: het lijf
op plaatsen te groot en zacht en veel te

warm, haar jurk een beetje scheef en trekkend en de ogen
argwanend klein terwijl het lachje daaronder

steeds groter werd. Ze keek alleen naar mij. Naast haar
de man die haar gebracht had, duwend en

licht spottend vanwege deze nieuwe activiteit. Ze hadden
sinds gisteren verkering, zei hij, en knipoogde.