Het lint strak opgerold. Eerst als ik haar pak en zij zich door
mijn vingers afspoelt, de uiteinden tegen mijn benen,

komt het dorp terug en mijn rust, de zangerige geluiden uit
de achterdeuren, de wekelijkse vis onder

de kerktoren, de overige beesten in de struiken, de mannen
op de daken, wijdbeens, de hamergeluiden van

hun ijver, vakanties van daarvoor, mijn vader door de muren
en mijn mamma op haar knieën in het gras, dan

herinner ik mij het gevoel alsof het voor het laatst was en
het een bedoeling had, mijn verblijf noodzaak

tot het afronden van een toevalligheid, de cirkel rond, het
spelen gedaan, de schat gedeeld, de wegen

gelopen tot hier. Opnieuw moet ik beschrijven blijkbaar hoe
kleur en versierselen opgeborgen horen voor later.