Door het gladde pad, het groen verruild voor koper,
de natte stadswal met de opbouw van poffertjestent
en reuzenrad, omcirkelen wij de plaats

zoals voorvaderen ver voor ons deden, hun lijven
zwaar van harnas en schild dansen wij bijna op de
slingerende toegangsweg en elke

keer komen wij onverhoeds weer binnen, alles kennen
wij hoewel hem niet bij naam en toch is het een inval
en geen thuiskomen en moet iedere

keer weer het steen heroverd worden op de herkenning,
het welkom, opnieuw zich voegen onder ons, de deur
klemt, een hond schuilt in de leegte, een

te vroeg afgestoken vuurpijl waarschuwt, nog even de
geur van olie en pek alvorens een laatbloeiende struik
hangend in het water de buitenstaander verleidt.

 

(Alkmaar maakt zich op voor de viering van haar Ontzet)