De dichter herinnert zich mijn atelier, mijn kinderen, zelfs
een onmogelijke theorie van een andere bezoeker,

hij herinnert zich de wijn, het eten, het schuilgaan in een
hoek van de ruimte in driedelig pak, zwart,

een gouden dasspeld door het bovenste knoopje, het in een
schilderij verdwijnen. Hij verjaart en snijdt mij

in precieze halen een twaalfde van de taart, het is een van
de weinigen met wie ik een boekhoudkundige staat

van dienst deel, op zijn snor verschijnt het zweet, de helft
van de tijd zijn de ogen dichtgeknepen, het

mes blijft gelukkig boven de traktatie hangen maar de woede
treft ons allen, het is niet meer mogelijk een

vers te maken, wil ik soms twee stukken, en wat was dat een
ontzettend leuke tijd, toen hij nog jonger was.