Mijn jongere ik is een zusje dat langskomt, druk pratend en
van de ene voet op de andere en kasten openend die

dicht zouden moeten blijven, met haar kleverige hand langs
de planken alles verplaatsend nadat ze

een voor een attributen pakt en giechelend omhooghoudt. Je
vertrouwt haar niets toe maar ze is je voor, dan

springt ze op je rug en blijft hangen, het blauwharig wezen,
en fluistert in je oren en niets wil je weten terwijl

zij alles weet, ze herhaalt je de vluchtpogingen en hoe vaak
je echt verdween, ze heeft het over man nummer

zeven en noemt de andere drieëndertig morgen want ze is terug
voordat je adem kunt halen en je mist haar

zodra ze even slaapt, het hinderlijke is dat ze gelijk heeft en je
kent, ze heeft dezelfde vader namelijk en ze is vrouw.