Ze zijn duidelijk zichtbaar tussen de duizenden boeken: de
schrijvers, de kenners, de gebruinde licht

verveelde toehoorders, de vrienden die beweren alles van het
proces te weten, de uitgevers, de weldoeners van

fondsen, de kunstenaarsvereniging, de inwoners van het even
roemruchte dorp en de vrouw van zoals ik

duidelijk aanwezig probeer te zijn maar niet gekend ben, twee
knikken slechts ontvang en een hand en een

stoelpoot die in de aarde wegzakt: de achterdeur biedt later de
ontsnapping, het glas, de frisheid van een tuin

na regen. Op de fiets achtervolgt me de liefde voor het onderwerp,
het belang van goed onderzoek, de plezierreisjes en

de correspondentie met een collega, alles bewaard in een grote
doos. Ach ik ben jong nog, dat zal het zijn.