Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Maand: augustus 2017 (pagina 1 van 4)

mijn gebedel

Na de regen vlecht ik mijn haar en bind de uiteinden,
een Russische plattelandsvrouw, de

volle manden op haar heupen. Zo stelde ik me hem voor:
in andere tijden, schuilend in een

greppel, het weer meedogenloos, de ander evenzeer. In
de nieuwe ochtend haal ik het haar los, opeens

een meisje dat vrolijk schudt, hij speelt in de straat hier
achter, ik kom zo. Daarna valt

de massa naar achteren, langs mijn mond omlaag, warm
in mijn nek, zilveren strepen over

mijn traditioneel zwart, vegend langs de inhoud van mijn
lijf. Hij zou glimlachen om het

zacht gekriebel en zich schuilhouden in het woud, alles
daarbuiten zou vandaag zijn.

op een andere plaats

Interview met Martin M Aart de Jong.

op een andere plaats

Say okay, I have had enough, what else can you show me?

Bob Dylan, uit: It’s Alright, Ma (I’m Only Bleeding)

op een andere plaats

Als ik mijn vragen uitschrijf om hem dichter bij het publiek
te brengen, de lezer die hem allang al kent, lijkt

het huiswerk dat ik eigenlijk niet wil leren, een afspraak ook
die ik het liefst wegschuif voor een dansje in

de regen, hij zou zo meedoen dus bel ik hem en lijkt alles
vanzelfsprekend, de inhoud van mijn

gebedel in tegenstelling met de realiteit en het verschil tussen
papier en stem zo groot dat ik

even meen nooit de waarheid te spreken. We willen helemaal
niet alles vertellen en zeker niet iedereen

aan onze voeten tenzij we Dylan zingen en hij nog wat met
een gitaar doet terwijl ik blootsvoets meestamp en

schalkse knipogen geef aan de straatzanger die op elke hoek
opnieuw begint met de grootste poëzie.

(voor de dichter Jan Kal)

luider nu

Ik heb soms de stem in mijn hoofd die zegt ‘Then we
are decided’ terwijl ik toch echt niet

onderhandeld heb over welke prijs welk besluit tot
gevolg had zoals ik ook soms de kraaiende

haan hoor, een ander lied op een andere plaats in de
film Jesus Christ Superstar. De beslistheid

die met de eenzaamheid gepaard gaat. Ik sta te wachten
bij de ingang van de filmzaal en draag

een witte spijkerbroek en lichtblauw pluizig vestje, veel
ouder dan ik werkelijk ben, de Volvo van

mijn vader mag nog door de winkelstraat, hij is te laat.
Ik zing de teksten al voordat ik ze ken.

Valsheid in geschrifte, zegt mijn moeder, en dat jong
zijn nu juist betekent dat je van niets weet.

 

bijna een echte maandag

Twee in oranje gehulde mannen hijsen zich op een fiets,
een vrijgezellenfeest of nachtelijke monteurs die

hun klus onder in het trappenhuis al aankondigen, hun
stemmen als het gehamer op onderdelen

die langs alle open kanalen te volgen zijn, nerveus geratel
langs het kinderfeestje op de hoek, kermisgeluiden

vanuit het hart van deze stad, een kind dat nog om zijn
moeder roept, luider nu, de sikkel van

de maan daarboven, ook de helikopter komt terug, vliegt
laag over deze randen, ijzeren hekken worden

dichtgetrokken langs piepende sporen, vaag nog reggae
klanken als een laatste restje zomer, loom

en een ‘tot morgen’ dat giechelt boven twee oranje figuren
die met hun voertuig over de stenen glijden.

een oud gebruik

‘Soms dacht ze terug aan haar rouw. Er waren lange perioden geweest waarin ze echt opnieuw had moeten leren ademhalen, en dan opende zich achter haar ribben een holte. Een gevoel van leeglopen. Alsof een vitaal orgaan dat ze gedeeld had met haar overleden echtgenoot nu langzaam wegkwijnde door eenzijdig gebruik. Op dat soort kille momenten kwamen echter niet al die onbehaaglijke jaren weer boven, waarin ze zijn stemming nooit goed had weten in te schatten en zijn methoden om haar te beschadigen nooit had weten te omzeilen, maar juist hun eerste paar maanden, die tevens de laatste van haar jeugd waren geweest. Jawel, ze had zeker wel van hem gehouden – niemand had ooit meer van iemand kunnen houden: ze was te jong geweest om haar liefde te weerstaan, als een kind dat laveloos raakt van een bodempje drank. Hij stond op haar netvlies gebrand, alsof ze in de felle zon had gekeken en daarna ook met gesloten ogen nog steeds een speldenprik van licht bleef zien. Hij was zo grimmig geweest dat ze zich een keizerin waande die het commando voerde over een hele legermacht wanneer een van haar pogingen tot lichtheid hem een lach ontlokte. Hij was zo ongenaakbaar, zo afstandelijk, dat ze zijn eerste omhelzing ervoer als een gewonnen veldslag. Ze had toen nog niet door dat hij haar in de lage kunstjes van een ordinaire bedrieger liet trappen: eerst zogenaamd het onderspit delven in een onbeduidende schermutseling en vervolgens een tegenoffensief inzetten om haar compleet onder de voet te lopen. In de jaren die volgden, leek de angst die ze voor hem voelde zo sprekend op haar liefde – hetzelfde bonzende hart, dezelfde doorwaakte nachten, dezelfde gespitstheid op zijn voetstappen in de gang – dat ze ook van haar angst in vervoering raakte. Geen andere man had haar ooit aangeraakt en dus begreep ze niet hoe vreemd het was om pijn en genot in dezelfde mate te ervaren. Geen andere man had haar ooit liefgehad en dus kon ze ook niet beoordelen of het plotselinge intrekken van goedkeuring even natuurlijk was als eb en vloed – en even onverbiddelijk. ‘

Sarah Perry, uit: The Essex serpent
vertaald tot Het monster van Essex door Natasha Gerson en Roland Fagel

een oud gebruik

Het is een kwestie van dagen alvorens hij en voorgoed uit
dit hoofd en deze bewegingen geschud wordt,

niet meer gekoesterd op dit papier, tussen de lakens, in de
plooien van het lijf, niet meer gepijnigd tussen

de uithoeken van zijn zwervend bestaan of in de details van
zijn geheugen. Het is bijna een echte maandag waarop

een nieuw begin zorgt voor een ongekende week, lichter
en duidelijker, een nieuw jaar, feestelijker

en opgeruimd, uitgeveegd de laatste notities in mijn planning,
de niet gehaalde doelen, het gespannen en

ingehouden concentreren of het dromen van. De foto’s laten
los, ik verzamel beelden als koekkruimels, nog

even en we zijn gelukkig. Ik leer hoe ik taarten keren kan
zonder dat de bodem blijft hangen.

bochten in waterwegen

Om uit te stellen wat je voelt tot je het niet meer voelt. Om
te denken dat iets goed is omdat je niet

wilt dat het niet goed is, en daarin te blijven geloven. Te doen
alsof het voldoende is terwijl je weet dat

het dat niet is maar je horen zeggen dat het volstaat, het volstaat
en niet meer te weten wat precies, dat. Om

terug te vallen op een oud gebruik, iets in de opvoeding dat
herhaald werd, iets van bidden voor iets en dat

op koude knieën en een harde vloer. Om iets goed te maken voor
de nacht valt maar er is niet mis, je weet dat er

niets mis is. Omdat je uitstelt wat je voelt tot je het niet meer
voelt. Zoals muziek die alleen nog in

flarden tot je komt en nooit meer in zijn geheel omdat je niet
huilen wilt van herkenning. Je weet niet wat het is.

het gemaaide gras in banen

Verdoofd door iets anders dan drank.
o het gebruik van woorden
zegt niets. iemand anders.
dagblind. verdoofd. helderziend als een god.
zogenaamd ik. jij.
teveel van het goede.
liefde ik schrijf het met zoveel gemak
als een vinger in meel
honing zeg je (denk ik) o
het gebruik van woorden
zegt niets

o het gebruik van woorden
verzwijgt een herfstige wereld
achter de vensters
het stikken houdt aan, een hand
wuift een plataanblad, een hart
krimpt bij voorbaat
van hitte. een oog traant.

er is geen zekerheid, maar
dit is zeker:
het wordt winter.
boers en strak staan mijn wangen.
de vette schaatsen vlekken de smoking.
o het gebruik van woorden
voor een tastbare wereld
en ik blaas mijn longen
leeg in mijn letters

en achter die wereld
morgen zo oud als aarde, dat is
langzaam ver en ontdooiend water
in de rietbossen verscholen
jij
aangespoeld spinnetje
zeester
en ik de verraste
verdoofde
langzaam
verdrinkende
visser.

Gerrit Kouwenaar, het gebruik van woorden, uit: Gedichten 1948-1978

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑