Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Maand: mei 2017 (pagina 1 van 5)

het ongemak

De rouw om hem begon al toen hij er nog was alsof
er altijd zwarte randen om mijn brieven lagen,

gaten gegraven in de aarde waaromheen we moesten
trekken, niet in mochten vallen nog, en as

van mijn hoofd waaide. Stijfjes bewegen omdat de
knieën versleten waren van het bidden, de

hals gekromd van het gewicht op de rug, de palmen
van de handen uitgesleten. Het verdriet reeds

in het schrijven over niets, het heen en weer reizen,
elke keer het vertrek alvorens de thuiskomst.

Het geweeklaag in zijn stiltes, het drinken altijd zijn
bloed, het breken van brood altijd

zijn lichaam. De tranen altijd het tekort in mezelf en
het leven altijd een daad van de ander.

hun gewicht

De verbinding die anders moeiteloos tot stand komt en
ook wel binnen drie seconden, mijn

binnenrollen in uw wereld, het bloot achter het scherm
de voorwaarden scheppen voor deelname, het

oplichten van mijn panelen en stralen van aanwezigheid,
het zacht zoemen en zoenen van

de laatste zoon die het scherm binnenzwaait, lachend
naast zijn lachende moeder, de tijd tussen

gisteren en vandaag en het oplossen van de vragen die
elke morgen immers het antwoord kennen, die

tellende overgave is veranderd in een hoestende, oude,
flitsende zwartheid waarvan onduidelijk is wat

het ons brengt: u de schrijver, mij het ongemak maar
niet na een angstaanjagende en te lange stilte.

een terras in A.

‘Brendan Behan stond altijd om zeven uur in de ochtend op, hoe laat hij ook was thuisgekomen, en begon te schrijven.’

Karel Wasch, uit: Gevangen vrijbuiter, over het leven van Brendan Behan.

een terras in A.

Dichter bij de hemel wonen is ook dichter bij de hel.
Alle menselijke geluiden stijgen op,

het gekoer in de bomen niet langer van de beesten.
Het kwinkeleren gebeurt op de keurig

aangelegde terrassen hieronder, er branden vuren in
de nacht. Men stookt elkaar op, kinderen

worden vergeten en spelen eindeloos in plastic dino’s
die uit elkaar barsten van water en pret,

vrouwen schateren om nooit bedoelde grapjes en blijven
in de ochtend rood, mannen hangen

op de rieten meubels en schuren hun billen aan de
wansmaak van de familie. Honden kruipen

weg onder hun gewicht. Een geur van verschroeid vlees,
zonnebrand en sigaret, zweet en een teveel aan mens.

een voorsprong

“Want actievoeren kan ik niet.” Het gesprek met Jolies Heij.

een voorsprong

Twee vingers trekt hij alsof hij een spoor uitzet en later
terugkomt op en belandt in mijn gekleurde verhalen die
bloot na al het zwart komen dat ik toch nog

draag. Meer dan alle warme en natte omhelzingen zijn
het die twee zachte vingers die, zo leek het, uren deden
over hun tocht naar beneden, niet even

stopten en verdwenen weer alsof niemand het gezien had.
Een terras in A., de dichter A., het zou een agendapunt
kunnen zijn en gefluister in de telefoon, later

een gedicht. Er zijn er die omgebracht zijn voor minder.
De vrouwen naast me hebben hun jurkjes afgestemd op
en schikken zich in de plooien, de mannen

daar tegenover rijgen hun herinneringen aaneen, nog altijd
ben ik gastvrouw, in alle opzichten. We proosten. Toch is
ook dat van minder betekenis dan

dat zachte lijntje dat uitgezet eenmaal teruggevonden wordt,
als een weg naar huis, terug in een tijd waarin het verhaal
ontstond, liggend op mijn huid en in mijn lijf.

ook toen stelde ik de ander gerust

ook toen stelde ik de ander gerust

Gij hebt een voorsprong in het niet.
De dodelijke achterstand,
die zich met ieder uur vergroot,
verhindert niet dat ik uw hand
terug kan vinden in mijn hand.
Achter mij volgt een dubbelspoor
voetstappen in het zand,
hoewel ik u naast mij verloor.

Gerrit Achterberg, Retrograde
uit: Voorbij de laatste stad

ook toen stelde ik de ander gerust

Niet je arm over mijn mond, je druk op mijn nek,
het trekken aan mijn borsten, niet

het slaan op mijn billen, mijn buik, mijn benen, niet
het knijpen en krassen, slechts die ene

vinger die over mijn wang naar beneden gleed of
die ene aarzelende hand die drie tellen lang

mijn rug streelt, mijn haar schikt, mijn hand pakt,
het lachje scheef, de ogen helder als glas.

Niet het mij het zwijgen opleggen maar het zelf
zonder woorden zijn: dat je zeggen zou

dat je mij nooit pijn wilde doen of hoe je er nog altijd
was, wist ik dat wel en dat het een vorm

gekregen had, een andere dan die handafdruk op
mijn lijf en een duidelijker dan die rode strepen.

de buren

Ook toen stelde ik de ander gerust: ik kriebelde in zijn
handpalm toen we elkaar trouw beloofden alsof

het een grapje was waar we later om zouden lachen, het
was niet iets van ons deze vertoning, we zouden

het heel anders invullen, we zouden de enigen zijn die.
En juist gisteren deed ik het weer zoals

eigenlijk elke dag en toch ben ik onlosmakelijk verbonden
met die ander: het is een trucje, we

wilden anders zijn maar zijn precies dezelfden. Het podium
de stad, de man het publiek, lach dan.

De buren in de tuin rondom praten heel lang na, hun kind
op straat, de auto stil, alleen zij daarboven

krijst omdat er nu eenmaal niets geruststellends is in die
ander, alleen in zichzelf en haar trouw.

 

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑